0

Kort verhaal | Narcissus van Hesperia, een geschiedenis

De zonsondergang gaf de lucht een vuurrode kleur, zo zag de koning door het raam van zijn paleis. Hij nam een slok van zijn witte wijn en liet haar rollen door zijn mondholte, over zijn tong, langs zijn gehemelte, maar hij proefde het niet. En hoewel het zijn vijfde glas was, voelde hij er helemaal niets van. Hij voelde überhaupt niets meer.

‘‘Narcissus?’’, klonk het ongeduldig achter hem. ‘‘We hebben nog maar een kwartier, en ik wil graag zeker weten of –’’

De koning draaide zijn hoofd en onderbrak Simon, zijn ijverige raadsheer: ‘‘Ik kom zo zitten, geen zorgen.’’ Hij zag hoe Simon zijn wenkbrauwen omhoog trok, en zijn pen op de eettafel legde.


Nog eenmaal wilde Narcissus in stilte uitkijken over de stad, zijn stad. Het schelpvormige plein voor het paleis, daaromheen de geeloranje, zongeblakerde complexen van drie, vier hoog, de grootse kathedraal, de marmeren koepel van het parlement, dit alles omgeven door een tientallen meters hoge muur…

Het lag er allemaal prachtig bij, en dat mocht een klein wonder heten. De oude stad was na een wilde plundering door het Morgenvolk, dik 500 jaar terug, helemaal tot aan de grond toe afgebrand en vernield. Niet lang daarna waren Narcissus’ voorouders, met bijna niets meer omhanden, begonnen aan de wederopbouw, daarbij geholpen door de bondgenoten uit Eleutheria. De grotere gebouwen in de stad, zoals het paleis en de kathedraal, zijn daarna nog een aantal malen herbouwd, een proces dat is gestopt in de late 17e eeuw, bijna twee eeuwen geleden.

Narcissus’ oog viel op de gotische kolos van een kathedraal, opgebouwd uit grote brokken steen rondom drie grote poorten die waren omlijst met sculpturen van demonen, profeten en godheden en vrouwelijke, engelachtige figuren, die zich welhaast van de wand af te leken zetten. De Heilige Mariakerk was een van de mooiste godshuizen op deze aarde.

Maar ze was het laatst overgebleven monument dat de goddeloze Hesperianen nog herinnerde aan hun voorouderlijke christenheid. Wetenschap, logica en vrijheidsdrang hadden God in de rug gestoken en voor dood achtergelaten. Het hoofd had gewonnen van het hart, zouden wij misschien zeggen. Maar de Hesperianen waren een passioneel volk. ‘Als God dood is, dan moeten we maar op zoek naar nieuwe goden’, leek hun motto.

Narcissus keek naar de enorme, marmeren koepel, die recht tussen de Heilige Mariakerk en het paleis in stond. De koepel miste sinds kort de driehoekige gevel, gestut door pilaren. Narcissus had die zelf laten weghalen – in plaats daarvan stond er nu een houten afschutting. In de schaduw liet het gebouw een spookachtige indruk achter. Het was het oude parlement, tempel van de democratie, en ze zou weldra helemaal gesloopt worden, zo was het plan. Want zij bracht de Hesperianen geen transcedent soelaas, enkel verdeling en conflict.

Het collectieve Zijn van de Hesperianen werd tijdens de kortstondige parlementaire periode getart als nooit tevoren. De uitheemse minderheid der Morgenmensen, afstammelingen van de plunderaars van achter de muur, begon steeds meer eisen te stellen, daarin gesteund door een meerderheid van de liberale parlementariërs, partijgenoten van Narcissus. Die zag tot zijn afgrijzen hoe zijn medestanders allerlei voorstellen steunden die rechtstreeks tegen de Hesperiaanse volksaard indruisten, en die het Morgenvolk meer rechten zouden geven, zoals het recht op gezichtsbedekking voor hun vrouwen, openbare processies voor hun godsdienst, betaald vrij op hun heilige dagen, en ga zo maar door. Uiteindelijk ontstond er zelfs een discussie over de vraag of de eeuwenoude nationale feestdag, waarop de Hesperianen hun definitieve overwinning op het Morgenvolk vierden, afgeschaft moest worden, en vervangen door een ‘inclusievere’ viering.

Al deze voorstellen haalden het – op het processierecht na – niet, daarvoor was de conservatieve vleugel in het parlement te machtig. Maar voor Narcissus was de maat vol. Hij was dan wel een vrijheidslievende liberaal, maar hij begon te vermoeden dat zijn volk onmogelijk vrij kon zijn wanneer ze te druk was met zichzelf toe te takelen. Begrijp hem niet verkeerd: het leek hem prima dat minderheden invulling wilden geven aan hun eigen leven. Maar niet hier, niet in zijn Hesperia. Er was zoveel plek op de wereld, en Hesperia was altijd al van de Hesperianen geweest. Punt.

Narcissus scheidde zich daarom, inmiddels tien jaar geleden, af van zijn mede-liberalen, en richtte een eigen partij op die de conservatieven rechts inhaalde. Zijn voornaamste speerpunt luidde: ‘De Morgenmensch terug over den grens’. Een meesterzet, want Narcissus voelde het sentiment onder de bevolking haarfijn aan. Zijn Hesperiaansch Herstelfront behaalde in één klap bijna de helft van de zetels. En toen zijn partij nodig was voor het vormen van een coalitie met de conservatieven, stelde Narcissus één harde voorwaarde om daaraan deel te nemen: er moest een referendum komen over de vraag of de Morgenmensen niet beter terug konden naar hun land van herkomst.

Zijn andere ‘breekpunt’ moest hij laten vallen: een handelsoorlog met het nabijgelegen Eleutheria, dat, broedend op het vele goud dat daar in de grond zat, de handelswaren van de Hesperianen middels lagere prijzen uit de markt drukte. Maar Narcissus had al geanticipeerd op het feit dat de conservatieven een handelsoorlog onbezonnen hadden gevonden, en hij zag het niet als zijn belangrijkste punt. Dat referendum kwam er wel degelijk. En de uitslag was, tot misprijzen van de liberalen en conservatieven, overweldigend in het voordeel van Narcissus.

Wel, de Morgenmensen moesten Hesperia uit, maar hoe precies? Het referendum gaf daar geen antwoord op. Maar daar had Narcissus iets op verzonnen. Wellicht kwam het door zijn liberale oorsprong, maar deporteren deed hij liever niet. Hij had zich in het kabinet de post van minister van Financiën toegeëigend, en beloofde een fors bedrag aan alle Morgenmensen die zich vrijwillig zouden melden, zodat diegenen een goed bestaan aan de andere kant van de muur konden opbouwen. Het bedrag was dermate hoog en de Morgenmensen dermate arm, dat ze dat allemaal deden.

Nadat de laatste Morgenmens over de muur was gezet, steeg onder de Hesperianen het besef: ‘Deze man durft eindelijk uit te voeren wat wij al die tijd al dachten!’ Bij de daaropvolgende verkiezingen, vier jaar geleden, kreeg Narcissus’ partij dan ook een twee derde meerderheid. Daarmee had zijn partij genoeg macht om de Grondwet naar haar hand te zetten.

Maar uiteindelijk had het volk er zelf om gevraagd. Narcissus, inmiddels president, riep opnieuw een referendum uit, een referendum dat voorstelde om de democratie te vervangen door een absolute monarchie, en wel onder zijn leiding. 96 procent van de Hesperianen was inmiddels zo begeesterd geraakt door zijn daadkracht, dat ze voor hadden gestemd. Er waren geen knokploegen voor nodig, er werd geen een stem gemanipuleerd – nee, het volk wilde het, en bleef het willen. Narcissus hield, sinds zijn alleenheerschappij stand kreeg, elk jaar een evaluatief referendum, waarin het volk kon kiezen of ze hem als alleenheerser wilden behouden, en alle drie de keren won hij met een overgrote meerderheid. Ja, de Hesperianen volgden Narcissus blind, zoals schapen hun herder volgden.


Een volk dat zelf haar democratie, haar vrijheid opgeeft? Het had Narcissus zelf ook verbaasd. Maar hij had beredeneerd dat het volkslichaam blijkbaar behoefte had aan een soepele tong om haar wensen te formuleren, en aan een sterke arm om deze wensen uit te kunnen voeren. De redenaarskunsten en daadkracht van Narcissus beantwoordden hieraan. Het volk leek dan wel geen democratie te willen, maar haar wil leefde wel degelijk voort in de woorden en daden van Narcissus. Hij was de verpersoonlijking van wie de Hesperianen waren: een eensgezinde, trotse natie met een glorieus verleden, heden en toekomst. Zo scheen het, althans.


De koning keek door het raam naar beneden, en liet zijn blik glijden over de verzamelde mensenmassa op het plein, dat helemaal vol stond. Velen hadden hun vuisten al geheven, sommigen scandeerden zijn naam. En enkelen droegen trots de Hesperiaanse vlag, die sinds het begin van dit Narcistische Tijdperk bestond uit een rood vlak, met daarop het zijaanzicht van een hoofd met lange, grijze manen, een spitse neus en een minzame glimlach. Het was het hoofd van Narcissus.

‘God, wat een stelletje pathetische mieren zijn jullie toch’, dacht de koning. Als ze eens wisten hoezeer hij hen te slim af was, hoezeer hij hen had gemanipuleerd met zijn redenaarskunsten. Want Narcissus zag het volk als een vrouw: je moest haar verleiden, meenemen in gedachten waarvan ze later denkt dat ze die zelf heeft gecreëerd. Je moest haar vóór zijn.


‘‘Nog tien minuten, Narcissus, en we moeten deze laatste zaak nog afstemmen, vooraleer –’’

De koning draaide zijn hoofd andermaal om, maakte een afwendend handgebaar en veinsde zijn brede glimlach. ‘‘Simon, ik kan waarlijk goed leven met ‘defensieve acties’. Het klinkt, tja, defensief, en minder bloedig dan het zal zijn – kun je het zo houden, mijn waarde?’’

Simon lachte hard, en de anderen lachten mee. Narcissus wist dat ze het niet meenden, bang als ze voor hem waren. De wil des konings was wet, ook voor zijn medewerkers.

Zo heeft hij Andreas, de vorige schatbewaarder, reeds een paar maanden na zijn aanstelling laten omleggen. Die bleek namelijk fors te willen bezuinigen, om zo het gat van vele honderden miljoenen in de begroting op te vullen. Narcissus’ eerdere project van ‘De Morgenmensch terug over den grens’ was financieel gezien een debacle, zo vond Andreas. Geld bijdrukken leek hem een slecht idee, daar de inflatie al torenhoog was. Banken en beleggers zagen dat Hesperia financieel op haar gat lag, en hielden de hand op de knip. En die handelsoorlog met Eleutheria, waar Narcissus nog steeds op zinde, daar zag Andreas al helemaal geen heil in: Eleutheria zou, beredeneerde de schatbewaarder, terugslaan met nieuwe sancties en daarom zou een handelsoorlog op de lange termijn enkel nadelig uitpakken.

Het was niet dat Narcissus een financieel onbenul was, zeker niet. Als oud-minister van Financiën wist Narcissus maar al te goed dat Hesperia om geld verlegen zat en daarom nieuwe bronnen moest aanboren. Maar aan ‘nee’-knikkers had de koning geen behoefte. Het volk wilde daadkracht; oeverloos debatteren en waterige compromissen waren stoffige relieken uit de verwarrende parlementaire periode.

Dus liet de koning, nadat Andreas dan eindelijk was vergiftigd, zijn nieuwe schatbewaarder Levi alsnog een handelsoorlog met Eleutheria uitroepen. Toen dat conflict twee jaar geleden escaleerde, via wederzijdse sancties die elkaar razendsnel opvolgden, besloot Narcissus tot waar het hem al die tijd werkelijk om te doen was: een militaire oorlog. Dat Eleutheria een eeuwenoude bondgenoot was, dat maakte hem niets uit. De inlijving van het rijke Eleutheria bleek een briljante greep. Als wingewest bracht het, letterlijk, gouden bergen richting Hesperia, en de koopkracht steeg de afgelopen drie jaren met gemiddeld tien procent.

Ja, Hesperia was rijk, verenigd en ontdaan van het Morgenvolk. Narcissus’ ster was gestegen tot ongekende hoogte. Zijn officiële titel, al had hij die zelf bedacht, loog er dan ook niet om: Koning der Hesperianen, Verdrijver der Morgenmensen, Overwinnaar der Eleutherianen, God der Goddelozen.


Narcissus schrok op uit zijn gedachten, toen de straatlampen rond het plein als vanzelf aangingen en de uitbundig zwaaiende mensenmassa verlichtte als een zwerm vliegen rond een gloeilamp. Gek, want het was nu juist Narcissus zelf die grof geld had ingezet om in deze nieuwe techniek te investeren. En het viel hem nu pas op dat het laatste stukje zon inmiddels was verdwenen achter de muur. Ondertussen had de donkerte hem vanachter ingehaald. Het deed hem huiveren, zijn leven overdenkende.

De koning kwam, na vele gesprekken met zijn raadsheer Simon, tot het inzicht dat hij zichzelf en de Hesperianen dan wel tot grote hoogte had gestuwd, maar dat, mocht hij geen nieuwe acties ondernemen, de bodem spoedig bereikt zou worden. De goudstroom uit Eleutheria zou, zo schatte Levi de schatbewaarder, binnen drie jaar opdrogen. En de dreiging van een gemeenschappelijke vijand hield het volk dan wel verenigd, maar de verstrengeling der Hesperianen leek, nu de laatste Morgenmens achter de muur was, steeds losser te worden.

De cijfers lieten het verval goed zien. De uitslag van het laatste evaluatieve referendum was volgens de officiële cijfers dan wel opnieuw 99 procent, maar in werkelijkheid lag dat percentage nog maar op 79 procent. Ook werd het onrustiger op straat. Een jaar geleden doken de eerste plakkaten ‘Tegen het schrikbewind van den ydeltuyt Narcissus’ op. Narcissus’ elite-eenheden hebben heel wat verzetsleden kunnen doen verdwijnen, maar lang niet allemaal – nog niet eens een kwart. Het was ook een riskante operatie, waarbij de koning wellicht zijn hand overspeeld had. Want Narcissus’ jacht op de dissidenten bleef niet onopgemerkt in Hesperia, daar vele gezinnen van de een op de andere dag hun vader of hun geliefde niet meer zagen thuiskomen. Dit wakkerde het georganiseerde verzet enkel aan, en deed het tevens besluiten om, drie maanden geleden, naar het Morgenland te verhuizen, waardoor Narcissus er niet zo gemakkelijk meer bij kon als weleer. En anderhalve maand geleden vernam de koning dat er in geheime trainingskampen wordt gewerkt aan een militair monsterverbond tussen het verzet en de Morgenmensen, aangevuld door dissidenten uit Eleutheria. Slechts één keer, het was twee weken geleden, slaagden zijn spionneneenheden erin om enkele verzetsleden om te leggen, inderdaad een bundeling van Hesperianen, Eleutherianen en Morgenmensen, in een bunker onder de hoofdstad van het Morgenland. Inmiddels zijn die spionnen zelf ook gedood bij een tegenactie, zo weinig grip als Narcissus heeft over de situatie daar.

God, wat achter de muur allemaal werd uitgespookt… het bracht Narcissus nog eens extra kopzorgen. Niet alleen waren ze daar met vele honderdduizenden, nee, de koning, en zijn volk met hem, miste iets dat het Morgenvolk nog wél had: een godsdienst. Nog konden de Hesperianen zo krachtig zijn, zo één, maar ze waren God allang kwijtgeraakt, het bezielende verband dat richting gaf, een overkoepelende moraal bood, een eeuwige verbondenheid smeedde en een even lang durend leven beloofde, een hemels perspectief dat hen minder bang voor de dood maakte. Nee, het Morgenvolk was niet alleen één, maar in potentie veel gevaarlijker dan zijn volk, zo dacht Narcissus. Het leed hem geen twijfel dat het Morgenvolk Hesperia over niet al te geringe tijd, misschien al over een paar jaar, zou vernietigen, wat ze 500 jaar geleden al bijna gelukt was. Ja, ooit zouden ze weer komen, met honderdduizenden tegelijk, tot aan de tand toe gewapend met een ijzeren geloof.


Al met al, zo bedacht Narcissus een maand geleden in samenspraak met zijn raadsheer Simon, was er voor de financiële zorgen, het probleem van een uiteenvallend volk en de externe dreiging vanuit het Morgenland maar één oplossing: de vlucht naar voren, richting het Morgenland. Het werd tijd voor een totale oorlog. Het strijdplan was al klaar, alle regimenten stonden paraat. Hij moest het enkel zo dadelijk nog bekendmaken aan zijn volk.

Narcissus ging dan eindelijk aan het hoofd van de tafel zitten, en bekeek zijn vertrouwelingen een voor een aandachtig. Levi, zijn gezette, dommige schatbewaarder, zat een zoveelste desserttaart weg te werken en liet zich daarbij niet tegenhouden door stukjes slagroom rond zijn mond en op zijn kin. Narcissus bekeek hem met verachting. Andreas mocht dan wel dood zijn, maar ook Levi en Narcissus waren geen twee handen op een buik, want de schatbewaarder wist, net zo goed als zijn voorganger, dat ze dringend geld nodig hadden. Maar Levi wist wat er met zijn voorganger was gebeurd, dus liet Narcissus hem maar zitten.

De koning liet zijn samengeknepen blik rusten op de stijve, besnorde man met hoge hoed en een monocle die naast Levi zat. Het was Filippus, secretaris van Hesperia, al was dat een te chique benaming voor wat hij eigenlijk was: een veredelde notulist.

Tegenover Levi en Filippus zat Simon, raadsheer des konings, de enige van het drietal die enigszins pienter uit zijn ogen keek, de enige die zijn titel werkelijk waard was. Narcissus twijfelde, desalniettemin, altijd wat hij met hem aan moest. Net als de koning was Simon zo nietsontziend, in al zijn adviezen zo angstwekkend hetzelfde als hem, dat Narcissus niet uitsloot dat hij stiekem op zijn troon uit was. En zijn angst werd nog eens versterkt vanwege het feit dat veel verzetsleden uit de liberaal-intellectuele kringen kwamen waar Simon zich vroeger in begaf, de kringen waar Narcissus hem leerde kennen. De koning had daarom twee spionnen op hem gezet, maar die meldden nooit iets verdachts. Vandaar dat Narcissus hem, tot op de dag van vandaag, altijd maar liever dicht bij zich gehouden heeft.

Ach, dacht de koning, straks doet het er allemaal niet meer toe. ‘‘Simon, volgens mij zijn we eruit, niet?’’, zei hij gejaagd.

‘‘Wel… dan wordt dit uw toespraak, sire’’, zei Simon met een grijns, en hij overhandigde het papier aan Narcissus. De koning deed een aantal seconden alsof hij het aandachtig bekeek, en stopte het in de rechter binnenzak van zijn colbert.

Narcissus klonk doods en afstandelijk, al vermoedde hij zelf dat het de andere drie inmiddels niet meer opviel. ‘‘Goed werk, Simon, goed werk.’’

De koning meende het wel degelijk. De Hesperianen zouden het plan om het Morgenvolk de oorlog te verklaren vast voor zoete koek slikken, maar het leggen van de nadruk op het defensieve karakter van de aanval vormde daarin een cruciale stimulans, zo leek hem.

Filippus wees naar zijn uurwerk, dat voor hem op tafel lag. ‘‘Koning, u heeft nog vijf minuten. Ik stel voor dat we ons alvast naar de zaal begeven -’’

‘‘Jullie kunnen hier blijven zitten’’, repliceerde Narcissus haastig. En de drie keken hem verbaasd aan. Normaal stonden ze bij zijn speeches altijd achter hem, dat is immers wat ze naar het volk toe wilden uitstralen.

Maar de koning had al bedacht dat ze zijn voorstel niet zouden zien aankomen. En hij voegde eraan toe: ‘‘Ik kreeg net een zeer zorgelijk bericht van een mijner boodschappers… Hij zal binnen enkele minuten de zaak toelichten. Omdat het volk nu al verzameld is en ik geen onnodige onrust wil kweken, kan mijn toespraak niet op zich laten wachten. Daarom wil ik dat jullie de zaak alvast voorbespreken. Ik vertrouw erop dat jullie eruit komen, en ik zal, zoals altijd, luisteren naar jullie advies’’, loog hij.

‘‘Maar koning, wat – wat is er aan de hand?’’, vroeg Levi met grote ogen.

Narcissus begon nog sneller te praten. ‘‘Dat is te complex, te veelomvattend om uit te leggen. Maar het is zeer urgent’’, zei hij naar waarheid. Hij slikte even, en liet een gedragen stilte vallen om oprechtheid te veinzen. ‘‘Goed dan, het gaat om een interne dreiging, dat kan ik alvast zeggen.’’ Hij keek recht in Simons ogen, maar die hoorde de koning zonder te knipperen aan. Levi haalde zijn schouders op, en leek genoegen te nemen met dit cryptische antwoord. Zolang hij maar te vreten had vond hij alles goed, wist Narcissus.

Filippus deed zijn mond open om iets te zeggen, maar er werd op de deur geklopt. ‘Eindelijk’, dacht de koning.


‘‘Komt u binnen, ik heb ze al voorbereid!’’, perste hij eruit, en de deur ging voorzichtig open. Uit de opening kwam zijn kromst lopende medewerker, zijn mentor Judas, tegenwoordig de beheerder van de paleisbibliotheek en, nog belangrijker, de enige die Narcissus helemaal kon vertrouwen.

Van Narcissus’ pubertijd af aan, zeg zo’n 40 jaar geleden, was Judas, als huisslaaf van Narcissus’ steenrijke familie – al noemde Judas zichzelf altijd ‘slaaf van de rede’ –, degene die Narcissus onderwees in de wetenschap en de filosofie, en, een paar jaar later, degene die hem aanraadde een carrière te zoeken in de academie en, toen de parlementaire periode aanving, in de politiek. Inmiddels was de slavernij allang afgeschaft, maar Judas was sindsdien enkel krommer gaan lopen, zo krom dat het enorme litteken op zijn wang, overlopend in zijn mond, nog net niet de grond raakte. Ach, hij was ook al tachtig jaar oud en het viel Narcissus nog mee dat Judas überhaupt nog op aarde te vinden was, maar zelf hield die het erop dat hij nu eenmaal gebukt ging onder de vele kennis die hij met zich meedroeg.

Narcissus stond snel op, zei zijn kabinetsleden vluchtig gedag en liep Judas’ kant op. De koning keek hem, vlak voor het passeren, vragend aan. Zijn dienaar gaf hem, zoals afgesproken, de bevestiging middels een knikje met zijn hoofd.

‘‘Dag, mijn trouwe vriend’’, fluisterde de koning hem daarop toe. Hij bedwong een traan, sloeg af richting de deur naar de aangrenzende zaal, en dacht aan wat hij met Judas had besproken.

Judas zou melden dat er bewijs was gevonden dat Simon banden had met het verzet. En de raadsheer zou móeten bekennen, anders zou hij gedood worden. Een verzinsel, maar de koning had er wel degelijk goed over nagedacht. Hij zag in Simon de enige die het rijk potentieel zou kunnen runnen. En het schepte hem nu eenmaal genoegen dat met hem het volk ten onder zou gaan.

Want Narcissus zag het volk dan wel als een vrouw, maar niet als zijn vrouw. Nee, op haar best vormde Hesperia een substituut om Narcissus’ verlangen naar haar te stillen. Een verachtelijk, vergankelijk substituut.


Narcissus deed de deur dicht, en bevond zich in wat tot voor kort zijn favoriete zaal was. Het waren niet eens zozeer de kroonluchters, trots hangend aan het gewelfde plafond, de vergulde kandelabers en pilasters, een krachtig wit licht uitstralend, of de zee van marmer onder zijn voeten – nee, wat, te midden van deze explosie van gracieuze weelde, onmiddellijk in het oog sprong was de muur, die enkel bestond uit ontelbare spiegels: ongeveer een mensenlengte groot en dik, omzoomd door barokke, goudkleurige lijsten die niets dan rijkdom en macht prijsgaven. De spiegels had de koning op zo’n manier laten plaatsen, dat je jezelf er duizend keer inzag. Elke spiegel reflecteerde de reflecties in de andere spiegels, en ga zo maar door, waardoor je hier, laten we zeggen, nooit alleen was.

De koning had er een aantal jaren groot plezier van. Hij gaf er graag exquise feestjes, elke avond bijna, en als hij overdag alleen was vond hij zichzelf vaak wild masturberend tussen duizend gelijkenissen. Maar twee weken geleden bekeek hij zichzelf hier voor het laatst, zijn kleding had hij toen overigens aan.

Narcissus hoorde opeens een schelle kreet door de kamer achter hem, gevolgd door een felle woordenwisseling. Het was Simons stem. Het leek hem oprecht, al weet je het natuurlijk nooit zeker, zoals Narcissus ook dacht dat hijzelf oprecht was, dat hij de hatelijke dingen geloofde die hij over de Hesperianen uitstortte tijdens zijn speeches. Maar het moment was aangebroken om ze, voor de eerste keer, de waarheid vertellen.

Hij liep naar de linkerkant van de zaal, en legde zijn hand op de deurknop die aan een van de gigantische spiegels, aan het midden van de wand, bevestigd was. Hij draaide eraan, en met een zwiep opende hij de deur. Een orkaan van geluid woei naar binnen.

Narcissus stapte het balkon op, hief onbewust zijn armen ten hemel, en hij trok zijn breedste glimlach uit de kast om de verzamelde Hesperianen te begroeten. Maar toen hij begreep er niets meer van te voelen, liet hij zijn armen weer zakken en maande hij het volk via een afwendend handgebaar tot stilte. Ze gehoorzaamde meteen.

Even voelde Narcissus iets van genoegdoening. Zoals het volk als een vrouw voor hem was, zo beschouwde Narcissus zijn speeches als het bedrijven van de liefde. Zijn speeches bouwde hij altijd geleidelijk op tot een extatisch hoogtepunt, maar, anders dan met haar, was een orgastisch kolkende haat datgene waarmee hij altijd eindigde, het publiek in pure vervoering achterlatend, de naam van Narcissus, hun verlosser, scanderend.

Ja, ach, wat was dat slaafse volk toch onvergelijkbaar met haar. Vanaf het moment dat Judas haar aan hem voorstelde, 30 jaar geleden, was hij op slag verliefd. Maar toch had hij geleidelijk aan steeds minder aandacht voor haar, zijn intellectuele vermogens in extremis tartend en zijn academische carrière met de grootst mogelijke bedrevenheid opbouwend. Altijd zat hij in de boeken, gaf hij les of was hij in debat met andere intellectuelen, altijd nam hij haar voor lief. Terwijl zijn honger naar meer boeken, meer kennis, meer, meer, méér bleef, dreef hij haar in twintig jaar bij hem vandaan.

Daarbij was zij minder van de grote redenaars, de wijze filosofen, nee, zij vond, in absentie van Narcissus, haar zingeving in de enige god die nog in leven was: de god van het Morgenvolk. Narcissus wist ervan, en vond het stiekem wel best. Hij moest dan wel niets van het geloof hebben, met haar – anders dan Narcissus, onzichtbare – god, haar gekke regeltjes en nog gekkere gebruiken, maar ze dong daardoor minder om Narcissus’ aandacht, en dat kwam hem maar al te goed uit, omdat hij toen net had besloten de politiek in te gaan.

Op een dag, Narcissus zat toen twee jaar in het parlement voor de liberalen, was Helena plots verdwenen. Ze liet hem een brief achter, waarin stond dat ze was vertrokken naar het gebied van het Morgenvolk, ver achter de muur. Zij had, in totale overgave aan haar God, eindelijk haar heelheid gevonden, schreef ze.

Maar Narcissus was vanaf dat moment een lege huls. Hoe kon ze hem nu opeens verlaten? Hij was er toch altijd? Ja, geestelijk misschien wel niet, maar…

De koning maakte zijn gedachte niet af. Hij wist inmiddels wel waarom ze weg was. Maar in plaats dat hij zijn woedde op zichzelf richtte, was hij boos op háár. ‘‘Zij heeft een stuk mij meegenomen!’’ riep hij in de maanden erna, als hij weer te veel gedronken had – bijna elke dag was dat toen.

En dat was niet het enige dat Narcissus kwaad maakte. Want hij was de Hesperianen dan altijd voor geweest, maar exact het omgekeerde gold voor haar.


Narcissus negeerde de rechter binnenzak van zijn colbert, waarin het papier zat dat Simon hem had gegeven. Want sinds hij haar, zij het natuurlijk onbedoeld – ja, wist hij verdomme maar dat ze zich bij het verzet had aangesloten! – had laten omleggen, twee weken geleden, drong bij hem in de dagen daarna, na zich eerst vastgeklampt te hebben aan het idee dat dit haar verdiende loon was, dat hij voor altijd zonder haar zou kunnen, het ongemakkelijke besef door: hij kon niet zonder haar, dat heeft hij nooit gekund. Wat hij de Morgenmensen had aangedaan, de Eleutherianen, de dissidenten… Het was allemaal om wraak te nemen, onderwijl zijn eigen leegte vullend met de erkenning van het schaapachtige volk der Hesperianen. Wel, nu ze dood was, zou hij onvervulbaar leeg blijven, zo wist hij.

De koning hield diep adem, griste uit zijn linker binnenzak een klein briefje, en liet haar neerdalen op de geruisloze horde mieren onder hem. Het bleef nog even stil, maar al snel steeg een licht geroezemoes op vanuit de voorkant van het plein.

Zijn boodschap zou zich vanzelf door de wereld verspreiden, zo wist Narcissus. Het volk zou zich vol ontsteltenis afvragen: ‘Wie is Helena?’ en ‘Wat speet hem?’ En zei de koning niet altijd dat hij vrijgezel bleef, omdat hij al getrouwd was met Hesperia? Wellicht zou men het tot op de bodem uitzoeken, wellicht ook niet. Ach, het deerde de koning eigenlijk niet, daar het – nee, daar zíj, en daarmee hij – toch al verloren was.


Narcissus draaide zich om, en wel om de spiegelzaal andermaal te betreden, klapte de deur weer dicht en stak een sigaret op. Dit deed hij altijd na de daad, eerst met Helena en later na zijn speeches. Maar zijn sigaretjes-voor-erna konden hem door de jaren heen steeds minder bekoren. God, wat voelde hij zich toch altijd alleen, wanneer hij de Hesperianen had toegesproken, besefte hij, nu voor het eerst.

In het midden van de spiegelzaal vertraagde de koning zijn pas. Hij voelde het zwarte, stroperige goedje dat Judas had neergelegd onder zijn schoenen kleven, keek voor de zekerheid naar onderen en bleef vervolgens staan.


Narcissus nam een laatste trekje om zichzelf moed in te puffen. Hij liet de rook tot in het diepste van zijn longen komen. Nog eenmaal voelde hij zijn bronchiën gekieteld worden, maar verder was zijn lijf allang verdoofd.

Hij bekeek zichzelf in de spiegels, en wist zich vanuit alle kanten door doffe ogen terug gestaard. Hij verachtte wat hij zag. ‘Je bent een verrader, je was niet goed genoeg, je hebt gefaald’, dacht de koning, eerlijker dan hij in al die jaren zonder haar geweest was. En hij opende de ruimte tussen zijn wijs- en middelvinger, klaar om zichzelf duizendmaal te zien sterven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.