0

Kort verhaal | De verdwijning van Iskar Peterson

Op een gure, regenachtige vrijdagnacht zat Iskar Peterson, de eenzame held van dit verhaal, thuis te schrijven. Gelegen op de bank, met zijn rug tegen de zijleuning, zag hij door het raam dat in het appartementencomplex aan de overkant het laatste licht uitging. Slaap maar zacht, ik houd wel weer de wacht, is wat hij er bij dacht.

Want zijn flesje rood was nog halfvol, en op zijn schoot rustte zijn laptop met daarop nog altijd een afschrikwekkend leeg vel geprojecteerd. Uit de speakers klonken de opstuwende synthesizeraanslagen van Spinvis’ Kom terug, maar ook dat nummer – het was zijn lievelingslied – kon hem niet aanzetten tot het schrijven van wat hij altijd al wilde: een beslissende aanval op het postmodernisme.

Je moet weten: Iskar was een nuchtere, rationele denker, een kind van de Verlichting, zogezegd. Daarom bekeek hij met argusogen hoezeer het relativerende postmodernisme, als ‘deconstructivistische’ stroming, doorgedreven was in haar hardnekkige ontkenning van een kenbare waarheid. De postmodernisten hadden de rede afgewimpeld als een ‘taalspel’ dat slechts een uiting zou zijn van – en afleidt van – de, volgens hen, scheve machtsverhoudingen tussen klassen, genders en etniciteiten. Kan allemaal zo zijn, dacht Iskar, maar zoals hij betoogde in zijn onvolprezen debuut Pleidooi voor de rede hadden de postmodernisten daarmee de intentie tot waarheidsvinding, en dus tot een constructieve uitwisseling van visies op de waarheid, uitgewist. Een veel te hoge prijs, vond hij.

Iskar mocht in Pleidooi voor de rede dan wel een keur aan hoogst redelijke argumenten tegen het postmodernisme hebben aangevoerd, maar in de debatten met postmodernisten kwam hij er tot zijn ergernis achter dat zij, juist omdat ze de rede verwierpen, zich niet meer door enige logica lieten overtuigen. Maar Iskar had een list. Wel, om de postmodernisten te snel af te zijn, bedacht hij: dan wordt het maar tijd om, op geheel postmoderne wijze, het postmodernisme zelf te deconstrueren! Het plan was, zo vond hij althans zelf, volkomen briljant.

Iskar had de bronnen van het postmodernisme goed bestudeert, en zo was hij vanzelf uitgekomen bij Immanuel Kant en diens Kritik der reinen vernunft, waarin Kant de grenzen van de rede opzocht – om uiteindelijk te moeten concluderen dat onfeilbare kennis in verreweg de meeste gevallen niet kan bestaan.

De reden? Omdat subject – bijvoorbeeld jij of ik – en object – de wereld buiten ons – gescheiden zijn. Want de werkelijkheid zoals die wezenlijk is – de dinge an sich – kan niet gekend worden, maar hoogstens benaderd door de subjectieve ervaring van de wijze waarop ze zich tot ons voordoen. Een voor zijn tijd – zegge eind 18e eeuw, de grande finale van de Verlichting – revolutionaire gedachte, waarmee Kant het startschot voor de bestudering van de mens als object gaf.

Deze onoverkomelijke inzichzelfgekeerdheid van de mens zou uiteindelijk belangrijke filosofische implicaties hebben. Er bestaat simpelweg geen objectieve moraal, zeggen de postmodernisten – alles is subjectief, daar je nu eenmaal gevangen zit in je eigen subject.

Wel, laten we dat uitgangspunt eens consequent doordenken, zo had Iskar bedacht. Als de mens zijn eigen subject niet kan overstijgen, dan is hij voor het bepalen van een ethiek dus geketend aan wat voor zichzelf goed voelt – en dus hebben de postmodernisten, indien ze hun eigen ‘logica’ radicaal zouden toepassen, geen moral high ground om op te staan. Want het kiezen van de zwakke partij in deze machtsverhouding kan dan, redenerend naar de geest van het postmodernisme, enkel nog dienen ter bevrediging van het eigen, subjectieve gevoel.

En dat is precies de fout die postmodernisten maken, vond Iskar: de moraal slechts in zoverre afbreken dat ze zich vervolgens alsnog moreel superieur kunnen wanen. Hoe hypocriet wil je het hebben?!

Een titel had Iskar al in zijn hoofd: De postmoderne val. Maar er was iets raars aan de hand. Hij had verder nog geen woord op papier gezet. De laatste maanden was er een zekere onrust in hem geslopen, alsof onzichtbare krachten hem wilden doen weerhouden van het opschrijven van zijn idee.

Maar anders dan de diep gelovige Kant, die de zuivere rede afbrak om ruimte te scheppen voor God, geloofde Iskar eigenlijk niet in onzichtbare krachten. Hij kwam daarom langzaamaan tot de conclusie dat hij gewoonweg onvoldoende materiaal en geesteskracht bezat om er een doorwrocht werk van te maken.

Iskar nam een paar flinke slokken van zijn wijn, en bemerkte hoe de alcohol zijn geest masseerde. Zou hij het misschien in een roman moeten gieten? Maar waar moest Iskar, 25 jaar oud maar nog zonder genoeg levenservaring, zo vond hij zelf, het dan in godsnaam over hebben? En fantasie, tja, dat had hij uit zichzelf nu eenmaal niet, zo wist Iskar. Hij vermoedde dat zijn brein wel zó redelijk stond afgesteld, dat hij de dingen die niet bestonden vanzelfsprekend ook niet zag.

Opeens viel de muziek uit. Iskars mobiel, die hij als muziekspeler had aangesloten op de boxen, ging af.

‘Onbekend nummer’ stond er. Iskar zette de wijn voorzichtig op tafel, en hij nam aarzelend op.

‘‘Met -’’

Een raspende stem fluisterde tot hem: ‘‘Doe nou eens open…’’

‘‘Laat me met rust. Ik ken je niet’’, verweerde Iskar zich, al was het tegen beter weten in.

De stem vervormde tot een ingehouden, proestend gelach.

‘‘Och, dat had je gewild.’’ En dan, op serieuze toon: ‘‘Hoe lang gaan we dit spelletje nog spelen, Iskar? Als je me niet toelaat, dan zal ik je altijd blijven tarten. Zie mij onder ogen, zwakkeling!’’

Iskar wist meteen wat hij bedoelde. Hij had de man nog nooit gezien – hij belde nooit aan, zo geruisloos als hij schijnbaar wilde opereren. Bovendien was de man, al kon Iskar toen nog niet bevroeden waarom, enkel uit op hem, want zijn plaaggeest zocht hem alleen op als hij in zijn eentje in de huiskamer zat en aan De postmoderne val werkte. En elke keer als Iskar hem gebood iemand anders lastig te gaan vallen, zei de man hem dat zijn bestaan nu eenmaal enkel dat van hem diende, en dat hij zodoende niet anders kon dan Iskar te blijven achtervolgen. Maar hoe dan ook: het moest nu eens een keer afgelopen zijn, vond Iskar.

‘‘Dus… als ik opendoe, dan kom ik van je af?’’, verzuchtte hij geagiteerd.

‘s Mans fluistertoon was, in al zijn ongeduld, niet meer. En zijn luide stem klonk niet alleen gehaast, maar er scheen nu zelfs een bijkans seksuele hijgerigheid in door. ‘‘Ik beloof het je – kom op, ik wil je geen kwaad doen.’’

Iskar merkte dat zijn mobiel tegen zijn oor aan kletterde, wat kwam door het hevig trillen van zijn hand. De man boezemde hem angst in, maar: de mogelijkheden aflopend, zag hij geen redelijk alternatief meer. Dreigen met de politie weerhield de man geenszins om contact met hem te blijven zoeken. ‘‘Als hulp is gearriveerd, ben ik weer weg – en jij ook!’’, riep hij dan altijd. En zijn nummer was, naar Iskars beste weten, niet te traceren.   

‘‘Goed – ik kom eraan.’’ Voor de zekerheid stak hij de flessenopener, gelegen naast de fles wijn op tafel, in zijn zak.

Met een zware pas liep Iskar de steile, krakende trap af. Zijn ogen zochten naar wat er zich achter het raam bovenin de deur begaf. Halverwege stond hij stil.

Want het leek hem dat er niemand voor zijn huis stond. Iskar haalde opgelucht adem. Zie: weg was de grappenmaker, zo dacht hij.

Maar vlak nadat Iskar zich had omgedraaid en aan de eerste paar passen terug omhoog was begonnen, hoorde hij het ineens: een traag, hol gebonk. Het kwam van de deur. Maar hoe… hoe kan dat?, peinsde hij. Hij dacht toch echt zeker te weten dat hij niemand zag?

Maar de vraag stellen was deze – ja: ook in dit geval – beantwoorden. En nieuwsgierig als Iskar was, namen zijn voeten hem als vanzelf mee naar beneden. Langzaam opende hij de deur.

In de donkerte stond een nauwelijks waarneembare gestalte. De man leek precies even lang als Iskar, maar verder kon hij niets aan dit figuur aflezen: diens lijf leek gehuld in een lang gewaad, en een kap om zijn hoofd hield zijn gelaatsuitdrukkingen volledig in het duister.

De koude kwam Iskar tegemoet, en hij begon ervan te bibberen – of kwam dat door de aanblik van deze doodse figuur voor hem? Hij raakte in paniek, want wat als de man tóch kwaad in de zin had?

Er klonk dan ook enige angst in zijn stem door, toen Iskar sprak: ‘‘Trek álsjeblieft die kap af.’’

‘‘Dat zal niet gaan. Je moet me wel durven zien’’, repliceerde de man cryptisch.

Iets in zijn woorden deed Iskar huiveren. ‘‘Wel, zeg mij dan: wie bén jij?’’

‘‘Wie ik ben?’’, antwoordde de man gedragen. En Iskar schrok zich rot toen de gestalte zijn armen spreidde, waarop hij sprak: ‘‘Ik mag geen naam hebben – ik ben ogenschijnlijk onopvallend, maar, eenmaal ontdekt, opvallend onooglijk. Ik ben alwetend over het leven, maar nietszeggend als de dood.’’ Iskar hoorde de man naar adem happen, maar hij vervolgde al snel: ‘‘Iskar, ik kom je een voorstel doen.’’

‘‘En dat is..?’’, vroeg Iskar ongeduldig.

De gestalte wreef met zijn handen over elkaar, en zei: ‘‘Ik, en ik alleen, bezit het grootste geheim ter wereld. En ik heb jou, en jou alleen, uitgekozen om het te vertellen.’’

Iskar moest er onbedoeld van grinniken. Was dit een grap?

‘‘Prima’’, giechelde Iskar, ‘‘Als dat het is: ga je gang maar.’’ En, op het sarcastische af: ‘‘Ik hang aan je lippen, vertel mij –’’

De man brak hem bozig af. ‘‘Dat gaat niet zomaar! Er zit een prijs aan deze kennis, een prijs die nog niemand heeft willen betalen!’’

Het klonk hard, gevaarlijk zelfs, en opeens voelde Iskar zich opgesloten in zijn eigen huis. Onbewust zette hij een stap naar achteren. In gedachten verplaatste hij al het gevoel in zijn lichaam naar zijn broekzak, waarin de flessenopener rustte.

Iskar besloot hem deze keer oprecht te benaderen. ‘‘Goed, vertel – zalig zij de onwetenden, zeg ik zelf altijd -’’

‘‘Maar vervloekt zijn de verlichten…’’, sprak de man hem direct tegen, ‘‘Want je moet weten: de waarheid is nu eenmaal leeg en verlaten, zoals ikzelf ben. Iskar, als drager van dit geheim zul jij je altijd eenzaam en leeg voelen, je zult nooit meer ‘heel’ kunnen zijn…’’ De kap liet zich ietsje schuin hangen. ‘‘Heb jij dat ervoor over? Ben jij bereid te lijden in ruil voor dit grote geheim?’’

Iskar knipperde onwillekeurig met zijn ogen. ‘‘Me ongelukkig voelen, louter en alleen door iets dat jij zegt?’’ Hij kon het zich, zo fantasieloos als hij was, niet voorstellen. ‘‘Kom aan, zo erg kan het vast niet -’’

‘‘Kan ik binnenkomen? Ik wil je het graag zo goed als mogelijk uitleggen’’, brak de man gehaast in. Hij deed alvast een stap naar voren, en had zodoende reeds één voet op de drempel.

Geen denken aan, dacht Iskar instinctief. Zo stiekem als hij kon, schuifelde hij iets naar achteren. ‘‘Kun je – kun je het misschien in een paar zinnen samenvatten?’’

De man gromde. Zijn kap bewoog daarop een paar keer opzij, van links naar rechts, en nog een keer naar achteren. Er was niemand te zien. Schoorvoetend deed hij Iskar een tegenvoorstel.

‘‘Je bent er minder klaar voor dan ik dacht… maar laat mij je het geheim influisteren.’’ De gestalte hief zijn wijsvinger de lucht in. ‘‘Je zult het misschien niet meteen bevatten, maar geloof me: vroeg of laat zul je erachter komen dat het wáár -’’

‘‘Ja, ja – laat maar horen.’’

Iskar wendde, vervuld van hybris, een stap naar voren, zijn hoofd iets naar voren. De kap boog daarop zijn richting op. En terwijl Iskar diens koude, rochelende adem zijn oor voelde binnendringen, fluisterde de man Iskar hem enkele woorden toe.

Toen de man zich weer had rechtgebogen, en zijn voet van de drempel terug op straat zette, haastte Iskar zich om nog één ding van hem weten.

‘‘N – nogmaals: wie ben jij?’’

De man barstte in lachen uit, en sprak tot Iskar: ‘‘Wie ik ben? Ik breek alles om je heen af. Daarna kom achter je aan. En hoe harder je rent, des te sneller héb ik je, kom ik in je – en dan blijf ik je tarten tot in precies dát stuk van jou dat jij niet wilt kennen, maar dat er desalniettemin zit. Dáár, in dat onontgonnen stukje ziel, daar huis ik, om van daaruit ook jou –’’

Met een klap sloeg Iskar de deur dicht, en hij stoof de trap op. Het geluid aan de andere kant van de deur leek direct verstomd.

Eenmaal boven, kon zelfs de andere helft van de fles wijn, die hij in één teug leeg dronk, hem geen warmte bieden – nee, dat deed enkel de dikke deken, in combinatie met het niet-zijn tijdens zijn peilloos diepe slaap.


Wat het verschrikkelijke geheim was dat de man tegen hem zei? Wel, dat waren deze drie woorden:          bestaat niet. En afzonderlijk waren deze woorden dan wel goed te begrijpen, maar samen vormden ze een afschuwelijk, naargeestig geheel.

Het duizelde Iskar. Hij had er nog nooit over nagedacht dat dit een serieuze optie zou kunnen zijn – nee, natuurlijk niet: waarom zou je daar überhaupt over willen nadenken? Was hij maar minder bang geweest, had hij de man maar in huis genomen, had hij hem maar kunnen bevragen, overreden, bespotten… Want het kon – het mocht simpelweg niet waar zijn.


De volgende nacht bleef Iskar opnieuw wakker, in afwachting van een nieuw teken van de man. Want nu deze verachtelijke figuur dit giftige zaadje in hem geplant had, kon Iskar niet anders dan bemerken dat er een prikkende gedachte in hem groeide, een gedachte die zich steeds meer leek te vormen tot de drie woorden die de man hem influisterde.

De combinatie van Spinvis en rode wijn – die al halfleeg was – konden hem er daarom ook deze nacht niet toe brengen om het lege vel voor zijn neus te vullen, te meer omdat Iskar maar niet kon loslaten wat hij eerder die dag op zijn pad vond. Het scheen hem, ook al geloofde hij niet in een Voorzienigheid, een opdracht om het geheim naar waarheid te testen.


Iskar dacht terug aan ’s ochtends, toen hij naar de supermarkt liep om een pak melk te kopen. Iskar was zijn straat al bijna uit en wilde net de hoek om, toen een krachteloze vrouwenstem hem nog net aan wist te bereiken.

‘‘Jongeman… kom terug…’’

Als verstijfd stond hij stil, en hij draaide zijn hoofd naar vanwaar het gesmeek vandaan kwam.

‘‘Alsjeblieft…’’

Het was twee deuren terug. Het raam leek open te staan.

Of hij hier zin in had? Dat geenszins. Maar, verwonderd als hij was, wist hij zich binnen tien seconden voor het open raam. Daar ontwaarde Iskar, tussen enkele rookpluimen door, een vriendelijk gerimpeld vrouwenhoofd, dat hij een jaar of 70 oud schatte. Het viel hem, toen hij beter keek, op dat ze een roze badjas aanhad.

De vrouw trok met een hand aan een van de korte, ogenschijnlijk geblondeerde krulletjes op haar hoofd, en sprak zachtjes: ‘‘Mag ik je wat vragen..?’’

‘‘Uhm, ja – ja, hoor…’’, floepte Iskar eruit. En in een reflex bedacht hij dat hij geen contanten bij zich had. Wel, daar was dan niets aan te doen, nam hij zich voor als verdediging.

‘‘Ik ben heel erg ziek… te ziek om naar de winkel te kunnen lopen…’’

‘‘Hmhm’’, was het enige dat Iskar uit kon brengen, een nieuwe gedachte verbijtend, namelijk dat zij weldra een ellenlang boodschappenlijstje op hem af zou vuren. Waarom moest ze nou weer net hem hebben?

‘‘Zou je…’’, en ze stopte even, bracht haar hand naar haar mond en proestte het uit. Het klonk hoog en luid, alsof ze nog net niet ter plekke dood zou neervallen. Met een zakdoekje veegde ze haar mond af. En ze vervolgde onbewogen: ‘‘… zou je twee pakjes rode Gauloises voor me kunnen halen?’’

Iskar wist even niet wat hij moest zeggen. Er kwamen allerlei nieuwe gedachten in hem op, maar hij stopte ze weg en probeerde zich voor te houden: als een zieke, oude vrouw je iets vraagt, dan doe je dat toch gewoon?

‘‘D – dat is goed, maar…’’

Voordat hij zijn zin kon afmaken, griste de vrouw een briefje van tien euro en enkele munten uit de zak van haar badjas.

‘‘Alsjeblieft…’’, zei ze verguld, en Iskar nam het geld aan. Hij groette de vrouw en vervolgde weifelend zijn pad.

Maar ik had toch geen keuze?, is de gedachte die zijn benen in beweging hielden. Ze was, bijna dood of niet, nu eenmaal verslaafd, en hij zou haar niet kunnen redden noch om kunnen praten…

Toen hij de supermarkt binnen drentelde, was Iskar zo erg in gedachten verzonken dat hij, bijna tegen de rollator van een oud, op het oog Japans, mannetje aanliep.

Iskar wendde zijn hoofd opzij.

‘‘O – excuus, excuus…’’

Maar de oude man leek hem niet te horen, en schuifelde uiterst traag richting de uitgang.

En het verbaasde Iskar dat het meisje achter de balie vrij snel doorhad wat hij kwam doen. ‘‘Twee rode Gauloi – aah, zijn ze nu alweer op? Je bent al de vijfde deze week’’, verzuchtte ze terwijl ze met haar vingers langs de rijen sigaretten gleed. De twaalf euro 80 in Iskars hand bleek overigens precies twee pakjes te dekken.

Met de gekochte peuken in de aanslag, stond Iskar te wachten voor het raam van de oude vrouw. Hij had er een paar keer tegenaan getikt, maar nog zonder effect.

Even hoopte hij dat ze niet meer open zou doen, maar hij wierp tegen dat als hij had geweigerd, ze het vast bij anderen had geprobeerd, met het welhaast onvermijdelijke resultaat dat zij alsnog aan haar trekken was gekomen. Immers liet ze, zo vernam Iskar van het winkelmeisje, wel vaker willekeurige voorbijgangers sigaretten voor haar halen. Dus bleef hij erbij – nu zij hem had uitgekozen, had hij toch geen keuze meer?

Het raam ging zachtjes open.

En terwijl de mevrouw de sigaretten van Iskar aanpakte, kneep ze haar ogen toe. ‘‘Dankjewel – dat is zo aardig van je.’’

Het vleide Iskar in eerste instantie. Maar opeens spookten de woorden van zijn plaaggeest weer door zijn hoofd.

Hoe weet u dat nou?, was het enige dat Iskar kon denken.

Vertwijfeld liep hij weer terug. Pas bij de lunch ontdekte hij dat de melk nog steeds op was.


Maar inmiddels had Iskar voor zichzelf uitgemaakt waarom hij zich alsnog zo slecht over dit moment voelde. Hij had de oude vrouw dan wel ‘geholpen’, maar daar enkel haar ziek-zijn mee bespoedigd. Dat anderen waarschijnlijk ook wel sigaretten voor haar zouden hebben gehaald, betekent toch niet dat hij geen principiële lijn in het zand had kunnen trekken?

Ja, Iskar was er nu werkelijk uit, dacht hij: zo was het, zo moest het zijn. En zich veilig ingravend in die gedachte, vergat Iskar voor even het immer lege vel, dat hem honend vanuit zijn laptop aanstaarde.

‘‘Kom terug’’, zei Spinvis tegen hem, maar Iskar registreerde het nauwelijks. Hij vergaapte zich aan de hagel, die met bakken tegen het raam tikte. Flikker toch een eind op, zei hij in gedachten tegen de totale donkerte aan de andere kant van het glas. En alsof Spinvis zich aangesproken voelde, hield hij op met spelen.

Iskars telefoon ging weer af. Zijn hart maakte een sprongetje. Maar toen hij, in plaats van ‘onbekend nummer’, waar hij zo op hoopte, tien zeer bekende cijfers op zijn scherm zag staan, drukte hij ze weg. Meteen ging hij naar bed.

En eenmaal onder de wol, dwong Iskar zichzelf om zijn gedachte vast te houden: hij had haar zieker gemaakt. Ja, dat moest het zijn – daarom voelde hij zich zo leeg, zo onmenselijk leeg.


De nacht daarna, op de dag des Heren, stormde en onweerde het, en wel zó hard dat Iskar zich met geen mogelijkheid kon concentreren op de juiste woorden voor De postmoderne val. En terwijl een zoveelste flits zich aandiende als enige verlichting in de verder allang donkere buitenwereld, vervloekte hij in gedachten Kant. Was die hufterige Pruis maar ooit geraakt door de bliksem, ver voordat hij aan Kritik der reinen vernunft kon beginnen. Dan was er misschien wel geen scheiding der subjecten, geen postmodernisme – en, nog belangrijker, dan was           er nog wel.

Want Iskar begon steeds meer te denken dat het mysterieuze sujet gelijk had. En dat kwam door een voorval dat zich die middag aandiende, waarbij Iskars wederom hulp geboden was. Maar deze keer opereerde hij extra zelfbewust – hij kon nu eenmaal niet anders, de woorden van zijn plaaggeest en zijn hulp aan de verslaafde vrouw indachtig.


Dit is wat er eerder die zondag gebeurde. Iskars geheime wijnvoorraad was op en hij liep, om de sigarettenmevrouw te ontwijken, naar de concurrent van zijn vaste buurtsuper. Daarvoor moest hij, vanzelfsprekend, een ander pad bewandelen: niet zijn straat tot aan het einde doorlopen, maar meteen de hoek om, de brede, lange weg in, waarbij hij bovendien halverwege, voor de drukke autoweg die zijn pad doorkruiste, moest wachten voor de stoplichten.

Omdat het overdag al overvloedig hard waaide, had Iskar, ongeduldig wachtend totdat het licht op groen zou springen, moeite om zichzelf staande te houden – te meer omdat zijn aandacht niet zozeer naar hemzelf uit ging, maar naar wat er aan de overkant van de weg gebeurde.

Daar stond de oude, Japanse man die Iskar gisteren nog bijna van zijn sokken liep. De man kon zich maar ternauwernood vasthouden aan het stoplicht. Dat deed hij met één arm, terwijl hij met zijn andere arm zijn rollator in bedwang probeerde te houden – ook dat lukte maar net. Hij stond daar maar, zo in zijn eentje, met niemand om hem heen, en Iskar wilde, als in een reflex, naar de overkant rennen om de man te helpen met oversteken, maar de stoplichten stonden er niet voor niets: als Iskar zou doen wat zijn gevoel hem ingaf, dan zou dat betekenen dat hij meteen werd geschept door een van de passerende auto’s. Dat zou, althans, Iskars excuus vormen, mocht de oude man zich verwonden, en die gedacht hield Iskar aan, totdat het stoplicht dan eindelijk op groen sprong.

En bij het passeren van de oude Japanner, die zich voorzichtig schuifelend – en daarmee tergend langzaam – over het zebrapad voortbewoog, draaide Iskar als vanzelf zijn hoofd naar achteren, erop toeziend dat de man het einde van het pad ook daadwerkelijk zou bereiken. Dat leek goed te gaan, maar toen Iskar de overkant had gehaald, verachtte hij zichzelf.

Want waarom hielp Iskar hem nu dan niet? Verdomme, de man had nog twee meter te gaan, en wat als het stoplicht nu alweer op rood zou springen? Oei, wat vond Iskar zichzelf toch een zwakkeling, hoe hij daar zo stond, en verder niets deed…

Maar de man zou het, hoewel slechts bij de gratie van een luid toeterende auto die vlak voor hem wist af te remmen, halen. Iskar ontspande, al was het maar voor even – het was nu juist die opluchting – zijn opluchting – die hem moedeloos maakte.

Eenmaal aangekomen bij de supermarkt, dacht Iskar het al bijna zeker te weten. Ja, hij kon maar niet ontsnappen aan zichzelf, aan zijn overwegingen, aan wat zijn gevoel hem ingaf, om de oude man al dan niet te helpen en zich daarover, toen Iskar al te laat was om hem te helpen, schuldig en vervolgens opgelucht te voelen.

Maar, zou je misschien denken: waarom al dat oeverloze gedenk? Waarom jezelf niet overgeven aan het willen begaan van een goede daad, om die vervolgens ook daadwerkelijk uit te voeren? – is dat niet immers waar het hier over gaat, waar het hier over zou moeten gaan? Wel, Iskar had daar wel een theorie over, en hij nam zich zelfs voor om die op papier te schrijven, maar daar zou hij, zo vermoedde hij, dan wel nog een extra fles rode wijn voor nodig hebben. Voor de zekerheid bestelde hij er bij de kassa ook maar een pakje rode Gauloises bij – voor zichzelf, deze keer. De Iskar-die-al-een-paar-jaar-gestopt was, die was hij toch allang kwijt, en die zou hem zodoende niet meer kunnen veroordelen.

Toen Iskar, teruglopend van de winkel, de stoplichten passeerde – hij had geluk dat het al groen was – schoot hij opnieuw in de stress. Want slechts een paar meter verder dan het zebrapad, alwaar de Japanner net niet door een auto werd geschept, lag de oude man nu alsnog op de grond, op zijn zij, geveld door de harde wind. Een man van middelbare leeftijd, gestoken in een veelkleurig, hindoeïstisch gewaad en voorzien van een warrige pluisbaard, had zich over de Japanner voorovergebogen. Een meter daarnaast stond een vrouw, eveneens van middelbare leeftijd en met rood geverfde haren, met haar telefoon in de hand toe te kijken.

De aanblik van deze tweede kans vervulde Iskar stiekem met vreugde. Nú was het moment aangebroken, dacht hij, om voor eens en altijd te testen of het geheim waar was.

Maar hij had deze gedachte nauwelijks afgemaakt, of de moed zakte hem – juist vanwege deze gedachte – al in de schoenen. Verdomme, was die man nu maar nooit gevallen, was het maar niet zo winderig geweest!

Op het moment dat Iskar het drietal passeerde, keek hij goed of de oude man überhaupt zijn hulp nodig had. Een belachelijke gedachte, zo je wilt, aangezien de man nog altijd op de grond lag – maar had die niet al genoeg mensen om zich heen die hem weer ter been konden brengen? Kon ik deze uitdaging alsnog maar uit de weg gaan, prevelde Iskar van binnen, bevangen door het feit dat elke vorm van moraliteit zijn handelen zou afwijzen.

Maar terwijl hij erlangs liep, dacht hij al: nee, hiervoor vluchten zou zwak zijn. En hij vervloekte zichzelf hierom, maar hij kon daardoor simpelweg niet anders dan zich weer omdraaien.

‘‘Gaat het?’’, riep de hindoe meermalen naar de oude man op de grond, die zijn ogen wijd open had, maar niet reageerde.

De man staakte zijn pogingen om de Japanner te bereiken en ging weer rechtop staan. Hij keek Iskar schouderophalend aan.           

‘‘Uhm… zal ik hem maar gewoon optakelen?’’

Iskar was blij dat hij het vroeg.

‘‘Ja – ja, hij heeft zijn ogen open, dus -’’

Maar de hindoe luisterde al niet meer naar hem, deed zijn armen om de Japanner en trok hem omhoog. Dankjewel, dacht Iskar, want dat was weer één verantwoordelijkheid minder. En tot zijn – nog grotere – blijdschap bleek de oude man, weer verenigd met zijn rollator, op eigen benen te kunnen staan.

De vrouw, nog steeds met haar telefoon in haar hand, kwam er dicht bij staan, en ze bestudeerde de Japanner van top tot teen. Iskar deed hetzelfde, en zag, gelukkig, dat de oude man niets leek te mankeren: enkel een klein schrammetje op zijn wang.

‘‘Moet ik – moet ik soms 112 bellen?’’, vroeg ze onrustig. De Japanner stamelde enkel wat onhoorbaars, wat voor de hindoe een teken was om zijn stem weer te verheffen.

‘‘Heb je een ambulance nodig?’’ Het was tevergeefs, want de Japanner gaf simpelweg geen sjoege.

‘‘Hij verstaat je niet, denk ik’’, zei Iskar tegen de hindoe, wier geduld, te zien aan de wanhoop in zijn ogen, begon op te raken. En Iskar richtte zich tot de Japanner: ‘‘Are you alright?’’

‘‘Yes, yes…’’

Net op dat moment stak er een nieuwe windvlaag op, en in een reflex wist Iskar te voorkomen dat hij opnieuw op straat zou belanden. Hij hield hem stevig vast, en het was alsof dat moment hem eindelijk, zonder ruimte voor twijfel, deed beseffen wat te doen.

‘‘Ik breng hem wel naar huis’’, sprak Iskar tot de andere twee helpers.

De hindoe stak zijn duim op, boog zijn romp, en liep vervolgens door.

Maar de vrouw kwam, merkbaar gepanikeerd, voor Iskar en de Japanner staan, en leek zich te verontschuldigen: ‘‘Dankjewel – ik moet eigenlijk nu naar m’n werk, dus ik kan niet –’’

‘‘Komt goed, hoor’’, stelde Iskar haar gerust, ‘‘Hij woont hier in de buurt – ik ben hem wel eens eerder tegengekomen.’’

De vrouw bedankte hem andermaal, en vervolgde haastig haar tocht.

Iskars twijfel was, nu alleen hij nog kon helpen, volledig verdwenen. Hij richtte zich tot de oude man aan zijn arm en wees met zijn vinger verschillende richtingen op. ‘‘Which way?’’

‘‘Number eighty-three.’’

De oude man wees de zijstraat in, waar ze al recht voor stonden. Dat is hoogstens een minuutje lopen, leek Iskar.

Maar hij vergiste zich, want hij liet de oude man het tempo bepalen, en het tempo bepaalde op haar beurt dat hun wandeling, uiteindelijk een stuk of twintig deuren verder, wel vijf minuten duurde – of voelde het slechts zo?

Iskar had de man dan wel stevig vast, maar hij leek zichzelf steeds meer te verliezen. Want wat voelde hij zich – jawel – een held dat hij de oude man hielp. En wat voelde hij zich daardoor – tegelijkertijd, maar zo veel meer: – slecht.

Aan het gesprek dat Iskar onderweg probeerde aan te knopen, kon hij opmaken dat de Japanner het Engels nauwelijks machtig was. ‘‘You’re so kind…’’, was het enige dat het mannetje, een aantal keren, uitstootte. Maar Iskar kwam met elke keer dat deze zin zijn oor bereikte, steeds meer tot het inzicht dat de werkelijkheid toch heel wat anders in elkaar zit.

Hij bracht de oude man naar een statig pand in deze, zo wist Iskar, rijkeluisstraat, waar je voor één verdieping rustig een miljoen moet aftikken. Hemeltjelief – als de oude man maar niet de bovenverdieping bezat…

En terwijl de Japanner de deur opendeed, middels een sleutel die om zijn nek zat – waarbij Iskar hem extra goed vasthield, bang dat de man zichzelf anders een soort strop had aangemeten – bad Iskar stilletjes tot wie-dan-ook dat er geen lange trap tevoorschijn zou komen. Maar, godzijdank: toen de deur opensloeg, kwam daar een keurig verzorgd gangetje tevoorschijn, met een kapstok waar meerdere jassen aanhingen. Iskars zucht van verlichting zorgde voor de koudste windvlaag die deze dag zou rondwaren.


Hij dronk de laatste slokken uit zijn fles rode wijn, nam een finale trek van zijn sigaret, en gooide die vervolgens in de fles. Daarna deed hij het raam, waaruit hij rookte, weer dicht. En toen Iskar de fles weer op tafel zette, bedacht hij: wat valt er eigenlijk nog weg te drinken? Wat valt er nog te vullen? Want, begrijp hem niet verkeerd, hij voelde zich wel degelijk goed dat hij de oude man naar huis bracht – maar, dacht hij tegelijkertijd: is dat nu niet juist het probleem? Over zijn initiële goede gevoel hing een ondoordringbare sluier van deterministische, amorele nietsigheid.

‘‘Kom terug’’, gebood Spinvis hem andermaal. Iskar wilde hem uitdrukken. Want hij wist genoeg, vond hij: Iskar zou niet meer terugkeren – daarvoor was hij al veel te ver heen.

Maar net voordat zijn wijsvinger het scherm van zijn telefoon raakte, viel de muziek als vanzelf stil. En Iskar voelde er niets meer bij, toen hij de tien cijfers zag oplichten. Hij liet haar weer overgaan, net zolang tot het ophield.

En hij vervloekte Kant nogmaals – deze keer omdat de Duitse filosoof wél zijn redding vond in God. Maar de ongelovige Iskar, ooit een redelijk man, had zichzelf helemaal stuk gerede –

Een engelachtige meisjesstem doorbrak zijn gedachten.

‘‘Waarom neem je niet op?”

Hij zag vanuit zijn ooghoek hoe haar ranke sujet tegen de rand van de deuropening leunde, maar hij keek haar niet aan.

‘‘Kom toch terug naar bed – het is al drie uur geweest, Iskar’’, steunde ze uit.

‘‘Laat me gewoon. Ik ga zo naar bed, als ik één alinea erbij -’’

‘‘Laat me gewoon?’’, herhaalde ze smalend. ‘‘Ik heb het beste met je – hallo, ik ben je vriendin!’’ Iskar wendde zijn blik als vanzelf naar haar, afgeleid door hoe ze driftig haar armen over elkaar sloeg. ‘‘Je-weet-wel, dat geval waarvan jij er alles aan doet om er zo ver mogelijk langs te – zit je nou aan de wijn?’’

Iskars blik gleed, langs zijn lege fles, naar de gestalte in de deuropening. Hij peilde haar gezicht, maar er kwam teveel donkerte vanuit de gang om haar gelaatstrekken te kunnen zien. En Iskar zei maar niet dat dit eigenlijk al zijn tweede fles van de nacht was – nee, hij zei wat hij zichzelf de laatste weken steeds meer hoorde zeggen.

‘‘Kom op, Christa – ik bén er toch altijd?’’

‘‘Je bent er wel, maar je bent er niet’’, snauwde ze, zoals ze op haar beurt gewoon was hierop te antwoorden. En ze stak een trillende arm zijn richting uit. ‘‘Je zit daar maar altijd op die bank – terwijl we nooit meer leuke dingen met me wilt doen, terwijl…’’ En toen brak haar stem. Iskar schrok ervan. ‘‘Je zegt nauwelijks meer wat tegen me. Alsof ik – alsof ik niet meer bestá.’’

En hij bemerkte hoe een glinstering, vanuit de plek waar haar oog moest zitten, langzaam naar beneden gleed.

Iskar hief zijn handen ten hemel. ‘‘Goed, dan!’’, riep hij gekrenkt uit. ‘‘Het spijt me, OK – ik heb, denk ik, een writers’ block, en ik kom er maar niet uit – ach, laat ook maar!’’ Hij gooide demonstratief zijn laptop dicht, en stond op om Christa te volgen, via de overloop, naar bed.

De slaapkamer werd zachtjes verlicht door de nachtlamp op het kastje naast Christa’s hoofdkussen. Staand voor de drempel, bekeek hij hoe ze daar al lag, met haar rug naar Iskar toe, op haar zij. Christa kennende, zou het hem niet verbazen als ze reeds in slaap gevallen was.

Iskar ging op zijn deel van het bed liggen, en staarde naar het plafond. Zou hij haar ooit iets gezegd hebben van de onrust in zijn hoofd? Hij kon het zich niet –

Iets leidde hem af. Het was Christa, die zich had omgedraaid. Ze kwam tegen hem aan liggen, en legde haar oor op zijn borst. Ze kreunde zachtjes, waarna ze fluisterde: ‘‘Weet je wat het is? Ik maak me zorgen om je, Iskar, – om ons. Ik – ik wil je niet kwijtraken.’’

‘‘Dat snap ik’’, antwoordde hij droogjes. ‘‘Het spijt me, echt: het ligt echt niet aan jou. Echt niet.’’

Iskar gleed met zijn hand onder de stof van haar roze badjas, en streelde over haar schouder, en hij schrok van hoe gloeiend heet die aanvoelde. Hij trok zijn hand snel weer terug.

Ze slaakte een zucht, en draaide haar gezicht in zijn borst, alsof ze zich in erin wilde begraven. En op bemoedigende toon sprak ze: ‘‘Als je maar weet dat ik nog steeds                .’’

Iskar kuste haar vluchtig op het voorhoofd.

‘‘Ik ook van jou’’, loog hij.


En toen ze op zijn borst in slaap was gevallen, legde Iskar haar hoofd voorzichtig op het bed. Hij deed daarop haar nachtlampje uit, en zag met betraande ogen toe hoe haar contouren werden opgeslokt door de duisternis. Een overweldigende koudevlaag overviel hem – nee: slokte hem op – van zijn blote tenen tot aan de leegte in zijn hoofd.

Iskar gooide de capuchon van zijn badjas over zich heen en liep de kamer uit.

Halverwege de overloop hield hij stand. Hij draaide zich er recht voor, want, zo wist hij inmiddels: je moet het wel durven zien.

En hij kon, starend naar de donkere leegte in de spiegel, maar één ding vragen.

Wie ben jij?


Kijk – je moet weten: niet alles komt goed. Soms is er geen hoop. Alles is eindig. Deze ontzielde gedaante zou dan ook niet meer gered worden.

Sommigen, die zijn geschiedenis goed denken te hebben begrepen, zullen daarom zeggen dat dit moment het tragische einde vormde van Iskar Peterson.

Maar ik, de alwetende verteller, herinner me het anders. Nee – dit was slechts zijn begin.


Wie ík ben?

Och, ik mag geen naam hebben. Ik kan dom brullen, krom lullen wat recht is. Verhullen wat echt is. Ik kan je van alles wijs maken, maar besef: vraag niet of dat wat je hebt gelezen echt is. Bedenk dat wat je hebt gelezen echt is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.