0

Kort verhaal | Sturm und Drang

Spread the love

Schrijven is lijden, heb ik enkele gewaardeerde auteurs wel eens horen zeggen. Schrijven is zwoegen, ploegen en tot in detail schaven, tot je je diepste hersenspinsels hebt weten te verweven tot een vlot en logisch lijkend relaas – waarna je echter, na een nachtje slapen of na reacties van derden, inziet dat wat je op papier hebt staan tóch niet is zoals je het bedoelde, en je er met misnoegen achter zal komen dat je initiële scherpslijperij slechts het begin inluidde van een lang, slopend proces van eindeloos herlezen, overdenken en herschrijven. En zelfs nadat je je bezwete, trillende en welhaast kromgetrokken vingers er dan definitief vanaf hebt gehaald, weet je dat het, in principe, nog steeds beter had gekund – zoals alles, altijd.

Maar, zo gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, ik heb daar eigenlijk geen last van. Ik schrijf enkel wanneer ik zin heb, ja, zó veel zin dat ik niets anders meer kan dan onrustig neer te dalen op mijn bureaustoel, met haastige spoed mijn computer op te starten en een leeg vel vol te kwakken met, tja, wat er in me opkomt. En meestal staat het er dan in één keer wel goed. Vind ik zelf, tenminste – anderen misschien iets minder, geloof ik.

Desalniettemin: schrijven is ademen, zeggen andere schrijvers daarom wel eens. En dan niet eens om aan te geven dat schrijven iets is wat je ‘gewoon doet’ – nee, je moet het doen.

Maar hoewel het onontkoombare verlangen van het schrijven daarin reeds besloten ligt, lijkt me de vanzelfsprekende, doch saaie bezigheid van het ademen nog veel te gewoontjes om de vergelijking aan te kunnen met de etherische ervaring van het schrijven.

Nee, voor mij ligt schrijven dichter bij de liefde bedrijven. Schrijven is zachtjes strelen, opgewonden kwelen en ondeugend schrapen over het papier. Tijdens het schrijven voel ik me, kortom, even ‘heel’.

Maar of schrijven nu lijden, ademen of seksen is: de schrijver raakt onherroepelijk vervlochten met zijn werk. Ja, want – en daar zijn alle schrijvers die ik heb gesproken het wel over eens – schrijven is zijn.

Dat gegeven is echter niet per se positief. In het ergste geval kan de vereenzelviging met wat je schrijft je bijzonder veel narigheid en stress bezorgen, of zelfs je kijk op de wereld én jezelf zwarter maken.

Een bekend voorbeeld hiervan is hoe de grote utilitaristische denker John Stuart Mill in het midden van zijn twintiger jaren, terwijl zijn carrière al aardig op stoom was gekomen, opeens een mentale inzinking kreeg. Daar lag een existentiële crisis aan ten grondslag, een periode van mentale afvlakking die vat kreeg op zowel zijn emotionele als intellectuele belevingswereld.

Mill dacht namelijk dat de dagelijkse bezigheid van redeneren, de ‘‘habit of analysis’’ die hij zo uitstekend beheerste, zijn gevoelens had weggedrukt, en wel zo diep dat hij er niet meer bij kon. Elke spontane emotie, elk poëtisch verlangen was hem vreemd geworden. Een tijdlang verkeerde hij daarom in een depressieve, bijkans suïcidale staat, waarbij hij apathisch doorging met denken en schrijven, en tegen iedereen zijn mond hield over hoe hij zich voelde – ze zouden hem toch niet begrijpen.

Maar, eind goed al goed: uiteindelijk vond Mill, na een halfjaar van lezen en overdenken, weer betekenis in zijn besluit om het gevoel voortaan een prominentere plaats te geven in zijn werk. De grote Mill bleef dus leven, en gelukkig maar, want anders zouden vele klassieke werken, zoals On Liberty en Utilitarianism  (beide boeken zijn mooie voorbeelden van hoe ‘‘the cultivation of the inner feeling’’ aan de basis staat voor Mills oordeel over vrijheid en nut) nooit geschreven worden.

Een ander – zij het geheel ónbekend – voorbeeld van hoe het schrijfwerk je tot waanzin kan drijven, dat ben ikzelf.

En ik zeg meteen: hoewel eveneens in het midden van mijn twintiger jaren, houdt daar de gelijkenis met de superieure Mill ook wel zo’n beetje op – op dit belangrijke punt na dan: de mentale afstomping door het continue gebruik van de rede, en de daaropvolgende ontdekking van het gevoel, zowel op persoonlijk vlak als op filosofisch vlak.


Mijn pijnlijke val begon halverwege 2016. Na het schrijven van mijn non-fictiedebuut De particratie, waarin ik, kort gezegd, voor meer democratie pleit, ben ik me direct gaan toeleggen op een manuscript over de noodzakelijke voorwaarden voor een gezond publiek debat. Dat leek me, vond ik toen, een logische stap.

De particratie was namelijk verre van volledig. Nee, ik had een cruciaal gegeven over het hoofd gezien: hangt de waarde van democratie immers niet af van de mate waarin de volkswil ook daadwerkelijk een geïnformeerde wil is?

Daar valt tegenin te brengen dat democratie niet zozeer steunt op feiten, maar op een clash tussen waarden. Echter: probeer voor jezelf maar eens een waarde te benoemen die niet gestoeld is op enige feiten – mij lukte het namelijk niet. En dit geldt zelfs voor issues die wij, met een overdaad aan voorzichtigheid, aanduiden als ‘ethische kwesties’. Zij die tegen abortus zijn, die zijn dat bijvoorbeeld vaak vanuit de overtuiging dat er a) een God bestaat met b) een Bijbels alleenrecht op beslissingen over leven en dood. Of, minder religieus geladen: er kan discussie ontstaan over het aantal weken waarna we een embryo al een min of meer volgroeid leven, ofwel een ‘kind’, kunnen noemen.

Kortom: zonder feitelijke basis is een waarde in feite waardeloos, zo vond ik. En daarom stond ik me erop voor om de rede als het enige geldige vertrekpunt van politiek handelen te bestempelen. We moeten, zeker in gepolariseerde tijden als de onze, maar eens wat beter ons best doen om te denken, of, in andere woorden: durven twijfelen. (Descartes, de wegbereider van de Verlichting, had het dan wel over ‘‘cogito ergo sum’’, maar hij stelde niets voor niets ‘denken’ en ‘zijn’ geenszins gelijk: iemand die ‘denkt’ omschreef hij als “id est dubitans” – iemand die twijfelt.)

Maar ik zou het manuscript, met de – zo geef ik toe, ergerlijk pretentieuze – werktitel Een theorie van politiek handelen, nooit afmaken. Want soms wil de tand des tijd onze geijkte ideeën doorklieven en vermalen tot een nieuw, en hopelijk beter, systeem van opvattingen.

En bij mij begon zo’n metafysische omwenteling anderhalf jaar geleden, toen ik een angstaanjagende droom had, een die me deed ontwaken in een bed van klef angstzweet.


Het was pikkedonker. Ik kon niet lopen, kon me niet omdraaien – enkel staren, rechtstreeks de duisternis in. Het was alsof ik zweefde, zo licht was ik. En vanuit de verte klonk een vrouwelijke stem, een prachtige reeks van hoge klanken zoals ik die nog nooit gehoord had.

‘‘Kom terug’’, fluisterde ze vervolgens.

Zo klonk het een aantal malen, ik geloof een keer of drie, terwijl de stem steeds verder op afstand leek te raken. En ik wilde er natuurlijk heen, ontdekken wie deze muze was die mij probeerde te bereiken – maar ik kon nog steeds niet bewegen, zelfs niet praten. Ik kon enkel luisteren naar de wegstervende klanken van deze verleidelijke, met diamanten omhangen vrouwenstem.

‘‘Kom terug…’’

Het klonk verder weg, maar ook bijtender. Alsof haast geboden was.

De stem werd al bijna onhoorbaar, terwijl ik gewag werd van een onbestemd gezoem achter mij.

Dit klonk niet menselijk, maar monstrueus. Een zware bas, gelijk de stem van Satan. En verdomme, het zwol aan. Alsof een horde demonen zich in de achterkant van mijn brein probeerde te planten.

Het maakte me angstig. De vrouwenstem werd geheel overgenomen door dit verschrikkelijke, brommende geluid. Rennen wilde ik, naar voren, de donkere diepte in. Maar het lukte me niet om ook maar één stap te verzetten, terwijl wat achter mij zat me dreigde te verzwelgen.

Ik zette me schrap, opende mijn mond en probeerde terug te schreeuwen. Maar nog steeds stond ik machteloos, niets anders dan lucht verzuchtend, totdat ik het geluid niet langer hoorde maar voelde – als duivelse speldenprikken, gretig pikkend in een onwillig lichaam.

Het hield niet op, en dat zou het nooit doen.

Want ik werd dan wel wakker, maar de droom ging door, mij achterlatend in een zonderlinge staat, verward, verdwaasd en vervuld met een onhoudbare haast naar haar, naar deze onbekende muze. Ik moest en zou haar vinden.


Nee, mijn toestand was minder psychotisch dan uit dit verhaal moge doorklinken. Want ik wíst dat deze droom, hoewel slechts een droom, stond voor een gevoel waarnaar ik, zo gaf ik meteen toe, al maandenlang heimelijk verlangde: een gevoel van hartstocht, van Sturm und Drang, van een lonkende epiek.

Ik zal uitleggen hoe dat komt.

Mijn relatie was uitgegaan, en dat dat gebeurde was mijn eigen schuld. Want ik, verzonken in boeken, in ideeën voor Een theorie van politiek handelen en, er moest nu eenmaal ook geld verdiend worden, in solliciteren (ik was net afgestudeerd), was er in de laatste maanden fysiek dan wel (we woonden samen), maar mijn zijn bestond nog bijna geheel uitsluitend uit gedachten, gedachten die dwars door haar heen hingen. Ze kaatste ze, logischerwijs, niet meer terug naar mij, de zender, waardoor ik al denkende vergat dat ik meer ben dan mijn gedachten. Ik was er nauwelijks meer, en wij waren er allang niet meer.

En hoewel ons einde een logisch gevolg was van het van elkaar verwijderd raken, zo dacht ik, voelde ik me er bijzonder slecht over, leeg, ontheemd, verweesd. Ik had geen gat in mijn ziel, nee, mijn ziel was een gat, dat zich uit onrust had opgevuld met louter gedachten, ontsproten aan de verachtelijke illusie dat de rede óók in dit geval zaligmakend zou zijn – en daardoor vergat een peilloze leegheid te herbergen.

Het werd daarom tijd om twee zaken onder ogen te zien.

Eén: ik voelde wel degelijk nog – sinds het uit was gegaan voelde me ik slecht, ‘onheel’.

Twee: ik kon dat nare gevoel wegdrukken zolang ik de rede, waarin ik intussen – paradoxaal genoeg – heilig in was gaan geloven, tot het enige vertrekpunt van mijn denken, van mijn handelen maakte. Gevoelens hadden daarin geen plaats.

Maar omdat ik inmiddels op het punt was aanbeland dat de logica zichzelf had ondergraven, was het nodig om een andere grond voor handelen te zoeken. Want hij die de aarde onder zijn voeten deconstrueert, die zal uiteindelijk hard vallen. Het werd, kortom, tijd om naar mijn gevoelens te luisteren. (Ja, Descartes mag dan wel een alleraardigst mathématicien zijn geweest – maar met het scherpe mes der rede vermoordde hij, onbedoeld, God – zonder ons er ook maar íets van enige bezieling voor in de plaats te geven. En bezieling was precies wat ik, vrome discipel van Vadertje Logica, node miste.)

En het moest niet enkel bij ‘naar mijn gevoelens luisteren’ blijven, zo besefte ik me toen ik indertijd Nietzsche aan het lezen was. Want Nietzsche was niet alleen de filosoof die, zo’n 300 jaar na Descartes, God – en daarmee de door mij zo gezochte zingeving – dan eindelijk morsdood verklaarde, maar ook degene die mensen met een slavenmoraal hekelde, en voorstond dat we onszelf, al heroïsch handelend, een episch leven weten te bezorgen. Ja, eigenlijk wist ik het al, maar vanaf dat moment vóelde ik het ook daadwerkelijk: ik moest handelen naar mijn gevoelens. Ik moest mezelf weer gelukkig, weer ‘heel’ maken.


En het leek me een tamelijk uitgemaakte zaak wat precies te doen.

Ik zou bijna beginnen met mijn eerste echte baan. En mijn gevoel gaf me in dat ik van deze nieuwe kans gebruik moest maken, en wel door mezelf naar grote hoogten te werken, geld te verdienen en carrière te maken. Dus: als godsdienst opium voor het volk betekende, dan werd mijn baan mijn heroïne.

En in het weekend, na vijf dagen noestig te hebben gezwoegd, zocht ik mijn heelheid in de liefde en de lust. Dat kwam, plat gezegd, neer op drinken, feesten en vrouwen – waarbij ik bij dat laatste overigens beduidend minder succes had dan bij die andere twee zaken.

Ik was, nochtans, altijd bezig, vol in overtuiging dat ik een nieuwe, handelende mens was geworden: nooit stil zittend, altijd sneller dan wat zijn eigen subject omgeeft en liever foute keuzes makend dan geen keuze.

Exemplarisch voor die houding was een wilde ervaring op Down the Rabbit Hole, het festival in Beuningen, Gelderland.


Ik had, diep in de zaterdagnacht, wederom een blauwtje gelopen, en mezelf daarmee zo voor schut gezet dat ik, vol van schaamte, nog maar één optie zag: weggaan, ver, ver weg van deze plek. Dus pakte ik mijn backpack en mijn rugtas, liet ik mijn tent achter en liep ik de rauwe, onschuldige nacht in. Mijn vrienden liet ik niet eens iets weten.Achteraf was het een idioot plan, natuurlijk. Maar ik dacht op dat moment werkelijk dat het leven zo moest zijn: niet de wereld jouw lot laten bepalen, maar zelf naar het lot toe lopen.

Dat ‘lot’ werd uiteindelijk – iets minder romantisch – station Nijmegen Dukenburg. En hoewel ik dat zelf niet had bedacht, was het (ik zou willen zeggen: de vleesgeworden) ratio die me daar heen leidde.

Na een paar honderd meter te hebben gelopen op een donker, met bomen omlijnd pad, stuitte ik op Paul, een flink bebackpackte jongeman met een perfect rond, geheel kaal hoofd dat, in al zijn gladheid, contrasteerde met de ruwe lijnen van zijn glimlach. Hij leek me ongeveer even oud als ik.

Paul was op weg naar Nijmegen, waar hij woonde, en hij kwam net als ik van het festival af. Als vanzelf liep ik met hem mee. En hij begon – ook als vanzelf – te vertellen dat hij wel vaker ’s nachts door de natuur liep. Dat deed hij om de wild woekerende onrust in zijn hoofd te kunnen beteugelen, zei hij met nog steeds diezelfde glimlach.

Ik probeerde mijn reden van vertrek aan hem uit te leggen, maar het kwam totaal niet bij hem aan, zo leek het. Hij negeerde zelfs volledig wat ik zei, en verklaarde dat hij behalve ‘‘een hele goede bassist’’, ook enorm autistisch was, en hij begon, ik denk vanwege dat laatste, een onophoudelijk – en bij vlagen onnavolgbaar – relaas over zijn bezigheden in diverse punkbands en als (zo begreep ik, ex-) junk. Van de stortvloed van anekdotes die hij over me uitstortte, weet ik alleen nog dat hij ooit een keer in het voorprogramma van Krezip had gestaan, en dat hij de drank en de harddrugs had ingeruild voor ietwat kalmere genot van sigaretten.

Paul was, desalniettemin, mijn redding. Hij leidde me op deze onvermoeibare manier naar het station, een tocht door velden en wegen van bij elkaar weet-ik-veel-hoeveel-kilometer. Hij droeg zelfs mijn rugtas, waarmee hij de zwaarte van mijn reis ook in fysieke zin wist te verlichten, en stond geduldig een paar peuken weg te werken toen ik rond 6 uur ’s ochtends onder het afdakje van een boerenschuur (het regende) in weet-ik-waar stond te wachten op een telefoontje van Radio 1, voor een interview over de al-dan-niet-wenselijkheid van een zakenkabinet (we zaten toen in de bijzonder moeizaam lopende kabinetsformatie van de zomer van 2017). Gelukkig had ik nog net genoeg batterijkracht en was het gesprek zo weer voorbij.

Toen we rond een uur of 8, eenmaal aangekomen op het station in Nijmegen, op een bankje zaten te wachten, en Paul mij zag trillen van de kou, gaf hij mij zijn jas.

‘‘Ach – neem die maar mee, joh’’, zei hij erbij. En ik weet niet meer waarom, maar, alsof het volkomen logisch was wat hij zei, zou ik het warme ding (ondanks dat blauw mijn kleur niet is en er een gek geurtje over hing, iets dat ik nog niet meteen thuis kon brengen) die ochtend niet meer uitdoen.

Net voordat ik de trein wilde stappen, riep hij me nog iets na.

‘‘Ik vind trouwens dat je het mooi gedaan hebt, hoe je je gevoelens hebt laten spreken, en gewoon je eigen plan hebt getrokken.’’

Onwillekeurig moest ik glimlachen. Heeft deze spraakwaterval blijkbaar tóch goed naar mij geluisterd.

Pas in de trein terug bedacht ik me dat ik deze jongen nog veel dankbaarder moest zijn dan ik al was: ik heb het niet ‘‘mooi gedaan’’ – nee: híj was een wonder, en ik heb niet mijn ‘‘eigen plan getrokken’’, want híj heeft me geleid, gered.

Pauls jas heeft overigens nog een tijd bij ons op de gang gelegen, ondanks de weeïge barbecue-geur dat het ding verspreidde.

Totdat ik, drie maanden later, aan het einde van de zomer, verhuisde.


Het samenwonen met haar was daarmee beëindigd. Onze scheiding was nu, eindelijk, ook fysiek.

De adrenaline van dat moment heb ik weten om te zetten in doordeweeks nog harder werken dan ik al deed, en in de weekenden werd ik nog roekelozer en dorstiger – ik moest immers alle opgebouwde stress van daarvoor weer wegspoelen, zo vond ik.

En in die bonte weken herinnerden de steeds frequenter opspelende paniekaanvallen me eraan, zij het op fluistertoon, dat ik niet al te goed bezig was. Maar ik probeerde er niet naar te luisteren, terwijl ik mijn hoofd afwendde voor de muur waar ik in sneltreinvaart tegenop zou botsen.

Want na dik twee maanden, op een vrijdagochtend in november, gebeurde er iets waardoor ik simpelweg niet meer verder kón.


De droom was er weer. En ditmaal zonder de zangerige muze die me vroeg om terug te komen.

Nee, er was enkel nog duisternis, en het doordringende satanische gezoem achter mij bleef me maar tarten totdat ik, rillend, zwetend en volkomen in paniek, wakker werd. Ik wist niet hoe snel ik naar beneden moest sprinten, omdat ik dacht dat ik moest kotsen – maar er kwam wonderwel niets uit.

In de trein naar werk bleef ik misselijk, maar onoverkomelijk leek me dat niet. Ik werd ongeruster van het feit dat het, lopend op de weg van de trein naar kantoor, leek alsof de tegels onder mij zweefden, in plaats van, zoals ik gewend was, daar gewoon netjes lagen. Al wandelend over deze bewegende stoep betrapte ik mezelf dan ook een paar keer op bijna-omvallen, maar uiteindelijk wist ik mezelf ongeschonden binnen het kantoor te werken. Dit was niet mijn dag, maar het was bijna weekend, zo hield ik mijzelf voor.

Op mijn werk zwengelde ik maar meteen de computer aan om in stilte een nieuwsbrief voor een klant te typen, maar ik zou die ochtend niets op papier krijgen.Want ik ving, terwijl ik daar net zo zat, op hoe twee vrouwelijke collega’s hun recente datingsuccessen aan het vieren waren. (Je kent het misschien wel, met van die blozende gezichtjes, kirrende stemmetjes en oplichtende schermpjes van hun mobieltjes die ze aan elkaar hebben gegeven, ter wederzijdse keuring van het getemde wild.)

Toen knakte er iets. Hoewel ik wist dat ik de liefde inmiddels niet meer kon verdrágen, kon ik niet meteen thuisbrengen wat er met me gebeurde. Typen ging niet, zelfs de muis kon ik niet meer verplaatsen, en – dit vond ik het ergste – nadenken ging niet. Dat duurde, zo kon ik achteraf aflezen aan de klok, anderhalf uur. En ik kon, nadat ik weer van mijn stoel was opgestaan, enkel nog een paar huilerige zinnen tegen mijn collega’s uitbrengen, die wel hierop zullen zijn neergekomen: ik ging naar huis.


Gelukkig was mijn baas zeer inlevend, en bovendien uiterst voorzichtig met me. Dus gaf hij me voor een aantal maanden vrijaf.

Maar de eerlijkheid gebied te zeggen: het thuis zitten maakten me enkel zieker. Ontdaan van mijn fysieke kracht, mijn lust, mijn zelfvertrouwen en mijn eigenwaarde (och, kon ik de tijd maar terugdraaien!, dacht ik toen) zwolg ik in – ja, ik ging een behoorlijk pathetische fase in – banaal liefdesverdriet.

Want tijd doet wellicht wonden helen, maar ik heb blijkbaar tijd nodig gehad om überhaupt een wond te ontdekken.

Ik miste haar.

En dat bracht me danig in de war. Had ik nu schepen achter me verbrand, of onder me? Hoe dan ook: er was geen weg meer terug. Als zij mijn muze uit mijn droom was, dan was ze nu allang verdwenen in de diepe donkerte. Ik had daarmee, dacht ik toen, mijn laatste handvat om weer uit de put te komen verspeeld.

Mijn wereld werd daarop steeds duisterder. Denken en schrijven was wel het laatste wat me nog kon plezieren. De zoektocht naar een objectief aanvaardbare grond voor politiek handelen, die ik een jaar daarvoor had opgestart maar waar ik al maanden geen omkijken meer naar had, tja, die kon me dan ook geen zier meer boeien, zo ledig als ik me voelde, – daarbij: hoe kun je jezelf ooit opwerpen als ferm verdediger van de rede, als je bang bent zelf compleet gek te worden? – en ik gooide Een theorie van politiek handelen van mijn computer.

Ik sloot mij tevens af voor mijn vrienden en familie, want – tja – ik begreep mezelf al niet eens, dus hoe zouden anderen mij wél kunnen begrijpen? (En ze zéiden dan wel dat ik er weer bovenop zou komen, maar ik voelde het totaal niet.)

Zelfs de fysieke wereld leek, gelijk mijn zielenroerselen, almaar donkerder te worden. Wellicht speelde het mee dat we net in de donkere maanden zaten, maar het leek wel alsof de duivel stiekem een grauwe sluier over mijn zicht had getrokken.

Depressieve gedachten zijn echter niet vreemd bij een burn-out, zei de dokter. Maar ik ben daar helemaal niet voor aangelegd, voor beide zaken niet!, kon ik enkel denken.


Mijn zonderlinge pad ging zo door tot aan de eerst week van het nieuwe jaar, we schrijven inmiddels 2018, waarin ik wederom een zondagse wandeling door de natuur maakte, maar ditmaal met mijn vader, in de bossen, direct gelegen aan de straat waarin hij woont.

Hoewel ik onze ontmoeting die ochtend zelf had aangevraagd (ik zag het namelijk echt niet meer zitten) had ik in de trein alweer spijt: ik dacht, volkomen paranoia als ik inmiddels was geworden, dat er elk moment een aanslag gepleegd zou worden. Maar er kwam geen aanslag, en bovendien zou deze reis zichzelf al snel terugverdienen.

Ik merkte, toen we net zijn huis uit waren gelopen, dat het mij kracht kostte om mijn vader bij te houden. Ik zei het, al hijgend, meteen maar tegen hem. 

‘‘Tja, je bent gewoon niet fit’’, zei hij op de uiterst rationele toon die ik van hem gewend ben. We keken elkaar niet aan, maar dat was ook niet nodig om elkaar te begrijpen.

Want ergens – ik ben immers zijn kind – herkende ik in zijn stem weer een stukje van mijn redelijke zelf, dat zijn woorden vanuit mijn diepste binnenste, recht door de aanbaklaag van gekte die mijn innerlijk inmiddels omringde, met beide handen aangreep en ze innig omhelsde.

Ineens snapte ik mezelf weer een klein beetje, en wel door iemand die mij snapte – nog beter dan ik mezelf, blijkbaar, durfde te snappen. Maar ik moest nu maar eens erkennen dat mijn lichamelijke conditie verre van normaal was – een teken dat ik aan het afglijden was. Want zo was ik, in de kern, niet.

Eenmaal in het bos aangekomen, kwam als vanzelf mijn liefdesverdriet ter sprake. En al vrij snel, alsof hij zich al had voorbereid (wat niet kon, omdat ik hem van te voren niet had verteld dat dit mijn reden was om hem te spreken) zei hij, overigens opmerkelijk zelfverzekerd:

‘‘Weet je wat ik denk? – en dat idee had ik al een tijdje…’’

‘‘Hmhm?’’

‘‘… jullie pasten gewoon niet zo goed bij elkaar.’’ Mijn vader had, welhaast ter bekrachting van hoe vanzelfsprekend zijn woorden waren, zijn handen in zijn zakken, en ik zag hoe hij zijn schouders erbij ophaalde, waarna hij vervolgde:

‘‘Kan gebeuren, toch?’’

Verrek, dacht ik.

Zou hij dan alweer gelijk hebben? Konden mijn gedachten in de laatste maanden met haar immers niet zo welig tieren, simpelweg omdat ons ‘uit elkaar groeien’ daar ruimte voor liet ontstaan? En, belangrijker voor dat bewuste moment: was het dan toch misschien juist omdat het zo slecht met me ging dat ik weer naar haar verlangde, in plaats van andersom? – als iemand in watersnood die God aanroept, en Hem, al watertrappelend vraagt om hem te redden, terwijl hij uit angst en pure verstijving vergeet om gewoonweg richting de kant te zwemmen?

Gaandeweg onze wandeling leek mijn vermoeidheid iets minder te worden, en ik beleefde zelfs een kort moment van opwinding, toen we vlak daarna een open veld betraden. Omringd door bomen, met ons hervonden zonlicht kietelend over mijn huid, voelde het heel eventjes alsof ik zweefde.

Toen we weer bij mijn vader thuis waren aangekomen, en ik nog even naar het toilet ging, ging ik onwillekeurig op de weegschaal staan. (Dit is nu eenmaal een vast ritueel dat veel uitwonende kinderen hebben wanneer ze weer eens bij hun ouders zijn, dus ik kon bijna niet anders.) Ik fronsde mijn wenkbrauwen erbij.

Het ding is niet goed afgesteld, zei ik mijn vader toen ik, eenmaal beneden afscheid van hem nam. Maar dat leek hem, op zijn beurt, weer sterk.

In de trein terug was ik niet bang voor een aanslag. Het enige wat mijn gedachten in beslag nam: blijkbaar moet ik sinds het kerstdiner, toen een dikke week geleden, tien kilo zijn afgevallen.


Uiteindelijk accepteerde ik de week daarna toch maar de gesprekken met de professionals. En hoewel de donkerte uit mijn droom nog oneindig leek, begon ik overdag toch weer, diep in de verte, een zwak flikkerend bundeltje licht te zien. Ik strekte me uit, klampte me er aan vast, en liet me zachtjes meevoeren.


Inmiddels, ruim een jaar later, zie ik weer helder.

En achteraf ben ik, al klinkt het misschien een tikje vreemd, blij dat het een tijdje niet goed ging. Want dan leer je pas écht wat van waarde, wat goed is.

Ik wil je wat ik heb geleerd dus zeker niet onthouden – misschien dat je er, mocht de wereld je duister schijnen, wat aan hebt. Want hoe slecht je (of hoe weinig) je ook voelt – er is een uitweg. Maar soms, en dat is het nare, kan het zo donker zijn, dat je de wegwijzers om je heen simpelweg niet meer ziet.

Naar je negatieve gevoelens en emoties blijven luisteren is, zo weet ik nu, begrijpelijk, maar het is niet de oplossing. De ratio is, daarentegen, veel beter toegerust om je weer het juiste pad op sturen. Die houdt namelijk – anders dan gevoel, dat per definitie enkel gevoeld kan worden op het moment zelf –  rekening met de tijd na het nu gevoelde moment, en, om precies te zijn, met wat werkt over tijd om je op lange termijn weer beter te laten voelen.

Ik moet in dat kader nog vaak denken aan hoe onbeschrijfelijk veel geluk ik moet hebben gehad toen ik, nauwelijks nog wetend wat ik aan het doen was op die dolle nacht in the-middle-of-Gelderland, een gids tegenkwam die me naar het treinstation, en daarmee veilig naar huis, leidde. Paul leerde mij – zij het pas achteraf – dat, wanneer je verdwaald bent geraakt in de put der gevoelens en weer omhoog wilt, het je zonder de vastigheid van het touw van de rede niet lukt om weer boven te geraken.

En nu concreet: professionele hulp kan, bijvoorbeeld, een uitkomst bieden.


Een tweede les die ik heb geleerd is de waarde van verwantschap.    

Ik heb het over je vrienden, je ouders, of je kinderen of wie dan ook je zelf als je naasten ziet – als jullie band goed is, dan willen ze je in slechte tijden maar al te graag steunen, besef ik nu. En daarbij kennen ze je beter dan wie dan ook, zoals ik me tijdens de boswandeling met mijn vader maar al te goed realiseerde. En precies daarom zijn je naasten ook degenen die je over de drempel kunnen helpen om soms fijne (zoals ‘‘je bent niet gek aan het worden’’), soms ongemakkelijke waarheden (zoals ‘‘maar je moet wel hulp zoeken’’) te aanvaarden, waarheden die je kunnen helpen om de aard van je leed en de gewenste acties onder ogen te zien.


En ik leerde nóg een les.

Ruim een maand na de wandeling met mijn vader, en iets minder lang na mijn eerste professionele gesprek – het is op het moment dat ik dit schrijf bijna precies een jaar geleden – beleefde ik mijn droom weer. En hoewel het wederom vroeg in de ochtend was, was ik deze keer klaarwakker.

Ik schreef mijn droom.

Het waren de eerste woorden in een halfjaar die ik facultatief – dus buiten mijn werk om – intypte, en ik had er zowaar nog plezier in ook. De laatste keer dat ik dat had moet nog veel, veel langer dan een halfjaar daarvoor zijn geweest.

En dat deed me iets heel belangrijks beseffen. Want als zelfs de wil om te denken in ultimo niet verklaard worden uit de ratio zelf, dan is een filosofie met de rede als summum bonum niet zaligmakend. Daarbij, en dat gaf me een extra plezierig gevoel, had ik een nieuw doel gesteld: het bedenken van een nieuwe politieke theorie waarin het (weliswaar lastig te vatten maar o-zo-belangrijke) gevoel centraal zal staan.

Het opschrijven van mijn droom vormde, achteraf, het startschot voor een nieuw project dat Een theorie van politiek handelen gaandeweg definitief zou vervangen: een roman waarin een door de ratio afgestompte hoofdpersoon, gelijk John Stuart Mill, een faustische zoektocht begint naar de waarde van het gevoel in het individu en een (individuen overstijgende) ethiek – een, zo denk ik, noodzakelijke queeste in een chaotische tijd als de onze, waarin God doder lijkt dan ooit maar zingeving (te vinden in moraliteit, verbondenheid en bezieling) de mensheid op fluisterende doch doordringende toon blijft tarten en verzoeken, net als de geheimzinnige muze uit mijn droom.

Sindsdien geniet ik weer van het schrijven. Ik durf zelfs te zeggen dat het mij, naast professionele hulp en vriendschap, er weer bovenop geholpen heeft.

Want inmiddels weet ik niet alleen dat ‘what doesn’t kill you makes you stronger’, maar bovenal: geleden leed is zelfs bijzonder nuttig wanneer je het omzet in inspiratie voor een, zo hoop ik, goed verhaal. (Als je je inspiratie liever omzet in het maken van muziek, of tekenen, dan kan dat natuurlijk ook, of, als je denkt niet creatief te zijn, dan is zoiets als hardlopen of tuinieren ook prima. Waar het, denk ik, in de kern om gaat is dat je, door plezierige inspanning, je donkere binnenste naar buiten keert om zo de overtollige zwaarte eruit te schudden.)


Ja, de afgelopen jaren, waarin ik bij toerbeurten aan het lijden en schrijven was, deden mij stilletjesaan beseffen: schrijven is – voor mij, zogezegd – geen lijden.

Sterker nog: door mijn diep gevoelde, maar desondanks ongrijpbare smart om te gieten in de begrijpelijke redelijkheid van een talige logica, heb ik het gat in mijn ziel, zin voor zin, dag na dag, steeds weer een klein stukje kunnen opvullen.

En ik weet dat de tijd net zo snel – of langzaam – wonden kan veroorzaken als ze helen, en wie zal zeggen of het tij ooit zal keren, maar op het moment dat ik dit schrijf kan ik oprecht zeggen: schrijven is, op de lange termijn, helend, en, op dat hemelse ogenblik van het schrijven zelf, heel zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.