0

Kort verhaal | Dood, strijd & waarachtigheid

Ik ben, godzijdank, niet religieus opgevoed, en ook op latere leeftijd heeft de uitstorting van de Heilige Geest mijn almachtige brein nooit weten te bereiken – zij botste op een muur van ijzeren logica, van Popperiaanse falsifieerbaarheid: aangezien er geen manier is dat de mogelijkheid van het bestaan van God kan worden verworpen, heeft het, vrij naar Bertrand Russell – de atheïstische profeet der Logica – net zoveel zin om te geloven dat er een porseleinen theepot in een ellipsvormige baan tussen de aarde en Mars draait, te klein om met telescopen waar te kunnen nemen, als te geloven dat er ergens in de hemel een alwetend figuur rond zou zweven, die we, net als de porseleinen theepot, echter alleen via ons inbeeldingsvermogen tevoorschijn kunnen halen – geen enkele zin, dus.

En toch… toch maken we allemaal wel eens iets mee dat de toets der logica allerminst kan doorstaan, een samenloop van omstandigheden die zó toevallig is dat we die bijna enkel nog kunnen toeschrijven aan het domein der mystieke Voorzienigheid – of dat van de pathologie. In het kader van de romantische herbeleving, maar ook voor mijn eigen gemoedsrust, schrijf ik deze ervaringen dikwijls maar toe aan het eerste.

Voor één van die ervaringen gaan we terug naar zes jaar geleden, naar een vrieskoude, besneeuwde januarinacht in café Het Kalfje aan de Prinsenstraat, ingesloten tussen de bevroren wateren van de Keizers- en Prinsengracht, het café alwaar ik toentertijd de onverklaarbare gewoonte had opgebouwd om na een verenigingsavond – in het nabijgelegen P96, aan de Prinsengracht – nog even een afzakkertje te nemen, om onvermijdelijk verzeild te raken in een met complottheorieën doorspekte tirade van een der stamgasten.


Het café was al bijna leeg, op een paar benevelde stamgasten na. En ik was, sinds pakweg een uur geleden, aan de praat geraakt met een oude Jordanees. Hij kwam op me af in een merkwaardige, extreem houterige tred, gestoken in een effen zwart pak dat, versterkt door het hevig kalende hoofd daarbovenop, een wat doodse indruk achterliet. Op zijn linkerwang droeg hij een enorm litteken, zeg vier centimeter, dat naadloos overliep in zijn brede mond.

Maar hoe afzichtelijk zijn uiterlijk ook was: zijn gulheid, die bleek uit zijn onophoudelijke rondjes, beviel me wel, evenals het feit dat hij, zoals de meeste stamgasten op een gegeven moment wél gaan doen, nog steeds niet was begonnen over de Rothschilds, of over Bilderberg. Zo ouwehoerden we wat af, en terwijl mijn verhalen steeds luider werden, werden die van hem enkel duisterder.

Zo kreeg ik tijdens ons gesprek door dat de man, voordat hij Het Kalfje indook, in een verhitte ruzie met één van zijn, begreep ik, weinige vrienden was beland.

‘‘Ik hem mijn maat geslagen!’’, riep hij een aantal keer verwilderd uit, terwijl hij via een slaande beweging met zijn vlakke hand uitbeeldde hoe dat er ongeveer uitgezien moet hebben. Zijn ‘maat’ had hem schijnbaar bedrogen, maar met wat of wie: ik durfde niet verder te vragen (of ik heb het niet onthouden, dat kan ook).

En het werd me steeds meer duidelijk: dit is een gekrenkt, ten diepste verbitterd man. Een, zo was mij inmiddels helder, volkomen mislukt kunstschilder, weinig vrienden, nog minder liefgehad – ja, hij zou weldra, als de dood hem heeft opgehaald, spoedig vergeten zijn, en zodoende al snel voor een tweede, geruislozere manier sterven.

Maar waar hij, te midden van deze warboel van nederlagen, het meeste spijt van had? Welja, dat was toch wel dit.

Het was, herinner ik mij, op het moment van ons gesprek alweer een jaar of 40 geleden dat deze man, voor het schilderen van een naaktportret, een week lang een blonde schone in zijn atelier had – de mooiste vrouw die hij had gezien, verzekerde hij me, al ben ik vergeten wat haar precies zo mooi maakte. Hoe dan ook: de twee leken een diepe klik te hebben, maar hun relatie was, voor zover ik begreep, zuiver professioneel en dus platonisch van aard, totdat het onvermijdelijke punt kwam waarop hij het schilderij af had en zij weer vertrok naar… – ja, waarheen eigenlijk?, vroeg de man zich hardop af.

En in de dagen na hun samenzijn begreep hij des te meer dat hij warme gevoelens voor haar had. Maar hij was te verlegen om contact op te nemen, en zijn weken van twijfel werden maanden, jaren, decennia zelfs… totdat, hij recentelijk pas, eindelijk het lef had om op haar op te zoeken.

Het bleef bij zoeken. Ze was al een aantal jaren geleden gestorven, verzuchtte hij misnoegd. En zo zou hij voor eeuwig ronddolen met de meest zinloze, en tegelijkertijd meest frustrerende van alle vragen: wat als..?

Ik wist het antwoord natuurlijk ook niet. Wel wist ik dat ik onderhand eens nodig moest pissen.

En net voordat ik wilde doortrekken, hoorde ik opeens een felle woordenwisseling opstijgen vanuit de bar – daarna een luid gekletter, en dan werd het plots stil. Snel drukte ik op de knop, wetende dat dit een teken was dat het tijd werd om huiswaarts te keren.

Toen ik de wc-deur achter me had dichtgetrokken, viel mijn oog als vanzelf op hoe een gezette, ogenschijnlijk kleine man, met lange, onverzorgde lokken en een brede snor, tussen de omgevallen barkrukken lag. Zijn afwezige blik stond op minimaal tien bier.

‘‘Ik zal het nooit meer doen, OK?!’’, wauwelde deze besnorde vriend meermalen richting mijn geheimzinnige gesprekspartner, die het allemaal enigszins gelaten aanhoorde. Het was al goed, kon ik aan zijn gezicht aflezen. En ook de kalme blik van de barman liet geen reden voor paniek doorschijnen. Ik voelde me daardoor allerminst bezwaard om vluchtig mijn jas en sjaal te pakken en de deur uit te stappen.

Maar net voordat ik naar buiten ging, deed de geheimzinnige man mij nog een laatste voorstel. Of ik niet nog even mee ging, naar iets verderop – naar de hoeren.

En met een glimlach die niet geheel de mijne was, weigerde ik zijn aanbod, en stapte ik de koude donkerte in.


Maanden gingen voorbij, en de herinnering aan deze man belandde als vanzelf in een stoffige lade aan de achterkant van mijn brein. Totdat ik in juni dat jaar verkozen werd tot het verenigingsbestuur, en – zo wist ik toen zeker, want dat is wat blinde, ongeremde liefde nu eenmaal met je doet -, daarin degene was tegengekomen die mij voor eenzelfde existentieel vraagstuk stelde als waar de geheimzinnige man mee worstelde, toen deze zijn lieftallige model aan het schilderen was: dit was haar – ja! – dit was haar, dit was de ware… En hoe nu te handelen?

Voor het eerst was ik verliefd, en ik was er compleet door overmand. Maar mijn hoofd probeerde er nog tussen te komen en praatte op me in: ik had het druk met studeren, met die bestuursfunctie en met daartussen halfslachtige pogingen doen om nog iets van een enerverend studentenleven mee te maken – kort gezegd: ik wilde er niets van weten, van dit tegelijkertijd heerlijkste en wanhopigste gevoel dat er bestaat.

Onderwijl sluimerde er een gevoel dat misschien nog wel onprettiger was, het huisde in mijn onderbuik en zei: stel je niet zo aan, slappe zak – ga ervoor. Ik trachtte er niet naar te luisteren.

Maar je kunt de werkelijkheid nog zo proberen weg te drukken, doch in een moment van oplettendheid zal ze weer tevoorschijn komen, bezit van je nemen en des te harder terugslaan, zo merkte ik op een brakke ochtend in september van dat jaar.

Ik dacht in eerste instantie dat ik misselijk was van de kater, maar dat je daarvan ook niet meer kunt ademhalen was nieuw voor mij. En stiekem wist ik heel goed waar al die onrust in mijn lijf door kwam.

Dus belde ik, in een vlaag van paniek, aan bij een van mijn beste vrienden, die boven me woonde – hij was immers een van de zeer weinigen die wist dat ik verliefd was. Nadat hij open deed, sprintte ik meteen door naar het balkon, want ik had het ondertussen bloedheet gekregen. Ik trok mijn shirt uit en zwetend ging ik daar zitten, terwijl mijn hart zó snel en zó hard bonkte dat het leek alsof ze uit mijn lichaam wilde springen.

Het voelde een beetje als doodgaan, dacht ik op dat moment – achteraf gezien een bizarre gedachte, gezien ik tot dan toe nog nooit werkelijk dood was gegaan en dus geen weet heb van hoe dat voelt, maar te meer omdat het slechts een paniekaanval was, zei de dokter aan de andere kant van de lijn.

Tja, wist ik veel. Maar het bleek het begin van een reeks van vele paniekaanvallen, en – dat is immers het hele idee eraan: helder nadenken is er niet meer bij, je kunt uit wanhoop nog Popper proberen aan te roepen, maar je voelt hem dan allang niet meer – de gedachte aan doodgaan bleef me daardoor achtervolgen, ze ging mijn denken ook buiten die paniekaanvallen steeds meer vormen. Noem het Angst, noem het Unheimlichkeit – alsof er stekelige vlinders in mijn buik rondzweefden, dolverliefd op het leven, maar tegelijkertijd doodsbang om het kwijt te raken.

En opeens voelde ik, met tegenzin maar daarom niet minder waarachtig, een zekere verwantschap met de geheimzinnige man in het café, die zich, in het aanschijns des doods, afvroeg: wat als, wat als – wat als ik haar – misschien wel onterecht! – liet glippen?


Het is, geloof ik, in een van de dagen erna geweest dat ik werd geconfronteerd met de werkelijke dood, toen ik naar een Overijssels ziekenhuis toog om mijn opa te zien. Ik schrok me daar wezenloos. Hij kon zijn benen niet eens meer bewegen, zozeer had de plotseling opgedoemde ziekte zijn lichaam al uitgewoond.

Dit, terwijl opa met afstand de sterkste figuur was die ik ooit heb gekend. Tijdens onze strandwandelingen vertelde hij me prachtige verhalen over zijn tijd bij de politie. Over hoe hij, na een leven hard, hard werken, uiteindelijk opklom tot de hoogste functionaris in de regio, alom gerespecteerd en bewonderd. Als we over de markt van zijn dorp liepen, dan groette iedereen vanaf een zekere leeftijd hem – want ze kenden hem nog goed als de man die over hen waakte, en die hen, zo nodig, beschermde met strenge doch rechtvaardige hand.

Dat bijzonder krachtige van hem, daarin was hij mijn gids – welhaast in letterlijke zin: hij liet tijdens onze strandwandelingen weliswaar zien hoe er geleefd diende te worden, maar ik had, zeker in de tijd dat ik verliefd was, het gevoel dat ik achterliep en hem niet kon bijhalen, dat ik niet eenzelfde discipline en daadkracht had om tot zulke grootse verrichtingen te kunnen komen. Sterker nog: mijn verlangen naar haar liet me compleet verward, verdwaasd en vervuld met een onhoudbare, maar nog ongestilde haast. Ik kon dan wel nog lopen, maar ik deed er niets mee. Ik was zwak.


Een week na de eerste paniekaanval organiseerden we als bestuur een introductiedag voor nieuwe leden. Na een verhit middagje in ons pand aan de Spuistraat, liep ik samen met een ander bestuurslid naar de Prinsengracht om ons aan te sluiten bij de naborrel in P96.

Terwijl we de Raadhuisstraat afliepen en onze eerste stappen zetten op de brug tussen de Keizers- en Prinsengracht, kwam er een aanhoudend, monotoon geroep op ons af. En ik weet nog goed hoe ik begon te zweten, wat gezien de nazomerhitte van dat moment niet geheel raar was, maar het had denk ik eerder te maken met hoe ik daar, tussen de vele fietsers en wandelende dagjesmensen, iemand midden op de brug zag stilstaan, en mijn gedachten onmiddellijk weer richting Het Kalfje deed afdwalen.

De geheimzinnige man uit het café hield zijn armen strak langs zijn lijf, de vuisten gebald. Zijn gezicht was op mij gericht, terwijl ik daar zo op hem afliep, maar hij keek mij niet aan. En hij riep steeds maar weer dezelfde zin:

‘‘Blaas jezelf niet op! Blaas jezelf niet op! Blaas jezelf niet op! Blaas jezelf niet op! Blaas jezelf…’’

Na het passeren, terwijl zijn stem alweer wegstierf, raakte ik niet in paniek. Wel kwam meteen deze vraag in mij op: had hij nu het tegen mij, of tegen hemzelf? Of misschien tegen ons allebei?

Bij de borrel in P96 voelde ik me weer misselijk worden, en ben ik na één bier maar naar huis gegaan.


Blaas jezelf niet op, blaas jezelf niet op, blaas jezelf niet op… maar hoe, dan? De liefde ging maar niet weg, en hetzelfde gold voor mijn paniekaanvallen. Er leek daardoor nog maar één plausibele optie over te blijven.

Ja, ik weet haast zeker dat mijn zieke opa, mijn herinnering aan de geheimzinnige man, de paniekaanvallen en mijn daardoor opgebouwde Angst mij, al sluimerende, hebben doen bewegen tot de gedachte dat ik het haar móest vertellen. En het was nog enkel de vraag hoe dat moest gebeuren.


Het zal ongeveer een week na de ontmoeting op de brug geweest zijn, toen ik, in de nachtelijke uurtjes op een huisfeest bij mij in de flat, in een emotioneel gesprek raakte met een zekere jongeman, waarbij we als vanzelf belandden bij juist dat onderwerp dat ik inmiddels niet meer kon verdrágen: de liefde. Maar met dank aan een zich opstapelende doodsbekommering, en aan de firma Heineken BV, kreeg ik ineens een idee wat ik ermee aan moest. Ik gaf hem een haastige hand, bedankte hem voor het gesprek en stoof naar mijn kamer.

Opeens had ik de geest: ik ging haar een brief schrijven.

En de dag erna mocht alles wat daarin stond dan wel zo pathetisch aandoen, en kon je de dranknevelen bijna van het scherm af ruiken: het was, desalniettemin, de waarheid zoals ik die toen voelde, zoals ik die de hele tijd al voelde. En toen die daar eenmaal stond, zwart op wit, bedacht ik me: ze móet het weten – nee, ze gaat het weten.

Bij de volgende verenigingsborrel, die dinsdag erna, zou ik haar de brief geven. Ja: het is wellicht een laffe manier om je liefde te betuigen, maar, onzeker als ik was, zou het een mogelijke afwijzing minder direct, en daarmee minder pijnlijk, maken. Daarbij: zij leest graag, zo wist ik, en ik word graag gelezen – dat is, denk ik, hoe onze magie werkte.


Met de brief in mijn binnenzak, en met het nodige lood in mijn schoenen, betrad ik café P96. De avond was nog jong, de tap nog maar net open – en daarmee was ik opeens niet meer zo zeker van mijn zaak als op het huisfeest, een paar dagen ervoor.

Om mijzelf andermaal moed in te drinken, schuifelde ik maar weer naar de bar. En we groetten elkaar niets eens, alsof het volkomen normaal was dat we elkaar, net op dít moment, wederom zagen.

De geheimzinnige man begon meteen honderduit te praten, over wat hem afgelopen weekend nu weer was voorgevallen. Hij had last van zijn rug, zei hij, want hij was in de kroeg met een vrouw wezen dansen, op een tafel – en zij had hem er weer vanaf getrapt. God, wat had dat kreng hem een last bezorgd…

O, en waarom dan wel? Geen idee, want nadat de barvrouw me mijn bier gaf, ging ik meteen weer weg. Ik had wel iets beters te doen dan te zwelgen in het leed van deze man.

En ik weet niet meer welke smoes ik gebruikt hebt waarmee ik haar de brief heb gegeven, de brief die ze, zo benadrukte ik haar, nog niet meteen mocht lezen – maar het geschiedde zowaar.


Een maand later ging opa dood, dood op bestelling.

Op zijn sterfbed hebben we gepraat, over die kloteziekte, over onze wandelingen op het strand, over dat met hem mijn gids verloren gaat, en over weet-ik-niet-wat-meer, terwijl hij daar zo weerloos lag, in het geïmproviseerde bed in zijn woonkamer, het bed waar hij een paar dagen erna zou komen te overlijden.

Ik liet hem trots een foto van haar zien.

‘‘We zijn verliefd, opa’’, zo wist ik inmiddels.

En nadat ik mijn mobiel onder zijn neus vandaan trok, kon hij er, puttend uit zijn laatste vaatje levenslust, nog een kleine glimlach uitpersen.

‘‘Ze is mooi, héél mooi, mien jong.’’

Ik telde zijn woorden op bij de plots oplichtende pretstand in zijn oogjes, en daarmee vernam ik zijn welgemeende, krachtige, warme blijk van goedkeuring.

Het was zijn laatste lach waar ik bij was.

Want hij was alweer – nauwelijks overdreven – doodmoe, dus ik kuste hem op zijn wang, en ik zei dat ik het goed vond vandaag, net zoals alles dat we mee hebben gemaakt goed was.

Toen ik met tranen achter mijn ogen de deur uit liep, besefte ik dat ik zelden iets gezegd moet hebben dat ik zó erg meende.


En ik bedacht me, zij het pas jaren later, nog iets: die volle, naakte, onbeschroomde eerlijkheid – dat is wat de dood blijkbaar met mensen doet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.