0

Referenda het nieuwe fascisme? Negeer de angstzaaiers

‘’Wie de vrijheid en de samenleving lief heeft, verwerpt het referendum.’’ Met deze stellige zin eindigt de column van Hans Goslinga in de Trouw van vandaag. Goslinga bepleit dat in een democratie ‘’niemand het laatste woord mag hebben’’, en dus ‘het volk’ ook niet. Dit zou namelijk haaks staan op het ideaalbeeld van een stabiele samenleving waarin compromissen de strijdende partijen en belangen in evenwicht houden. Goslinga ziet een referendum, zoals laatst gehouden in Groot-Brittannië, daarom als een waar schrikbeeld, waarbij de ‘’absolute macht […] van de meerderheid plus één […] niet de macht van het volk openbaart, maar de diepe verdeeldheid van het volk.’’ Goslinga baseert zijn oordeel op de gedachten van de Franse liberale denker François Guizot (1787-1874), die beweerde dat de absolute macht nergens moet liggen – zodat er ook geen misbruik van kan worden gemaakt. ‘’Absolute macht, om het even of die ligt in één paar handen of in de handen van de meerderheid plus één, luistert alleen naar zichzelf, niet naar anderen.’’

Verhuld snobisme

Ik moet zeggen, ik heb zelden iemand zoveel hekel aan het ‘klootjesvolk’ – samengebald in één enkele column – zien verwoorden. Goslinga’s stuk past naadloos in een recente reeks artikelen waarin het oliedomme voetvolk weer even op haar nederige plek wordt gewezen, naar aanleiding van de ontstane chaos in de nasleep van het Brexit-referendum. Het valt me daarmee op dat, toevalligerwijs, de grootste tegenstanders van referenda vaak door diezelfde referenda in hun idealen bedreigd worden. Goslinga’s snobisme is echter niet recht-toe-recht-aan, maar verhuld in twee nogal vreemde veronderstellingen: 1) het idee dat een hegemoniale macht afwezig kan zijn in een politiek bestel, als we dat maar willen en 2) de aanname dat het mogelijk is dat er zoiets kan bestaan als de ‘absolute macht van de meerderheid plus één’.

Macht is overal

Laat ik allereerst een definitie van ‘macht’ geven. De Amerikaanse politicoloog Robert Dahl omschrijft ‘macht’ als volgt: ‘’A heeft macht over B in de zin dat hij B iets kan laten doen wat B anders niet gedaan zou hebben.’’ Ook Max Weber, de Duitse aartsvader van de sociologie, stelt iets soortgelijks: macht als het idee dat iemand binnen een sociale relatie zijn zin kan doordrijven. Macht drukt dus louter eenrichtingsverkeer uit: ik ben in een positie die mij in staat stelt jou iets te laten doen. Wanneer in een politiek systeem beslissingen gemaakt moeten worden, dan zijn het onze politici die uiteindelijk op ‘de knop’ drukken waarmee ze bepaalde plannen kunnen doordrukken dan wel tegenhouden. Maar we hoeven in een democratie zeker niet naar de pijpen van de elite te dansen: als we het niet met het gedrag van onze volksvertegenwoordigers eens zijn, dan kunnen we hen bij nieuwe verkiezingen weer wegsturen. Om deze ‘evaluatie’ goed te kunnen doorstaan, zal de politicus zijn best moeten doen om de achterban tevreden te stellen. De uitkomst van het beslissingsproces is normaliter dus een proces van twee machten die botsen: de macht van politici om plannen te maken en de macht van burgers om deze politici te kunnen afrekenen op hun daden.

Zero sum game

Wanneer het bovenstaande systeem perfect wordt uitgevoerd, dan hebben burgers – anders dan Goslinga wil zien – het laatste woord: zij gaan immers over de baan van hun vertegenwoordiger en niet andersom. Als dat niet zo is, en de politici vooral elkaar verantwoording schuldig zijn, dan hebben die politici juist speelruimte om de wensen van burgers aan hun laars te lappen – immers heeft dit toch geen gevolgen voor hun verdere carrière. Ook deze situatie voldoet niet aan het ideaalbeeld van Goslinga, waarin we geen kleine groep mogen hebben die de macht heeft om de politieke situatie naar hun hand te zetten, immers moet er tegenmacht zijn. Maar die spanning tussen macht en tegenmacht is, anders dan Goslinga bevroedt, wel degelijk een zero sum game zij veroorzaakt botsingen tussen het eenrichtingsverkeer van de wil van de burger en het eenrichtingsverkeer van de wil van de politicus, als twee krachten die aan een touw trekken: degene met de sterkste kracht zal uiteindelijk winnen. De absolute macht kan dus niet zomaar achter de horizon ‘verdwijnen’, zoals Goslinga doet lijken. Uiteindelijk móet in een politiek systeem (een of meerdere) ‘iemand’(en) het laatste woord hebben.

Correctie op dictaat minderheid

Die macht mag in elk geval niet bij ‘de meerderheid plus één’ liggen, als het aan Goslinga ligt. Dat lijkt een redelijk standpunt. Echter is dit slechts een holle frase, die enigszins leunt op het frame dat er daadwerkelijk een ondeelbare volksentiteit bestaat. In dat geval zou Goslinga gelijk hebben dat die ‘volkswil’, als een dictatuur van de meerderheid, de samenleving meer kwaad dan goed zal doen. Wanneer wij ‘het volk’ echter als de som der (zeer vele) delen zien, dan hoeven we minder bang te zijn voor de wil van datzelfde volk. Als burgers in meerderheid beslissingen mogen maken, dan zorgt dat er júist voor dat de macht niet in enkele handen gecentreerd is, zoals nu nog wél het geval is. Wij kennen namelijk een systeem waarin het de toppen van een handvol politieke partijen vrij staat om ingrijpende beslissingen te maken. Deze beslissingen stroken niet per definitie met wat een meerderheid van individuele burgers wil – immers moeten onze partijelites, om hun baan te mogen behouden, vooral luisteren naar elkaar in plaats van naar de kiezers. Referenda vormen dan een goed middel om de mening van velen te doen ontstijgen boven de wil van slechts enkele partijbonzen. Referenda zijn dus echt niet het nieuwe fascisme, maar corrigeren juist het dictaat der minderheid.

Arnout Maat

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.